Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Procenten berekenen: uitleg met voorbeelden

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Procenten bereken je door eerst 1% of 10% van het geheel uit te rekenen en daarmee verder te rekenen: 1% is het getal gedeeld door 100, 10% is het getal gedeeld door 10. Wil je weten hoeveel procent iets is, deel dan het deel door het geheel en doe dat keer 100.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat is een procent?

Procenten berekenen lijkt moeilijk, maar het draait steeds om hetzelfde idee. Procent betekent "per honderd". Het teken % zegt: verdeel het geheel in 100 gelijke stukjes en kijk hoeveel stukjes je hebt. 100% is dus altijd het hele ding: de hele prijs, de hele klas, de hele taart. 50% is de helft, 25% een kwart en 1% is één honderdste deel.

Omdat 100% altijd het geheel is, moet je bij elke procentsom eerst weten: waar is het procent van? Van de oude prijs, van het aantal leerlingen, van het hele bedrag? Als dat duidelijk is, is de rest vooral handig rekenen.

Hoe bereken je procenten van een getal?

Er zijn twee handige methodes. Welke je kiest, hangt af van de getallen.

De 1%-methode

Deel het getal door 100. Dan heb je 1%. Doe dat daarna keer het aantal procent dat je zoekt.

Voorbeeld: hoeveel is 7% van 300? 1% van 300 is 300 : 100 = 3. Dan is 7% gelijk aan 7 × 3 = 21.

De 10%-methode

Deel het getal door 10. Dan heb je 10%. Daarmee kun je veel andere procenten maken: 20% is twee keer zoveel, 5% is de helft, 15% is 10% plus 5%.

Voorbeeld: hoeveel is 30% van 85? 10% van 85 is 8,5. Dan is 30% gelijk aan 3 × 8,5 = 25,5.

Handige procenten om te onthouden

ProcentIs hetzelfde alsZo reken je het uit
100%het geheelniets doen
50%de helftdelen door 2
25%een kwartdelen door 4
75%drie kwartdelen door 4, dan keer 3
20%een vijfdedelen door 5
10%een tiendedelen door 10
5%de helft van 10%delen door 10, dan door 2
1%een honderdstedelen door 100

Het verband tussen procenten, breuken en kommagetallen staat uitgebreider op de pagina procenten, breuken en kommagetallen.

Hoeveel procent is het?

Soms ken je het deel en het geheel, en wil je weten hoeveel procent dat is. Deel dan het deel door het geheel en doe de uitkomst keer 100.

Voorbeeld: in een klas van 48 leerlingen spelen er 12 een instrument. Hoeveel procent is dat? 12 : 48 = 0,25. En 0,25 × 100 = 25%. Je kunt het ook zien als breuk: 12/48 = 1/4, en een kwart is 25%.

Een verhoudingstabel helpt als het delen lastig is. Zet bovenaan het aantal en onderaan de procenten, met 48 bij 100%. Halveer dan steeds: 24 hoort bij 50%, 12 hoort bij 25%. Meer hierover lees je bij de verhoudingstabel.

Hoeveel procent is iets gestegen of gedaald?

Ook dan deel je een deel door een geheel. Het deel is het verschil, het geheel is het oude getal. Voorbeeld: een hockeyclub had vorig jaar 40 jeugdleden en nu 50. Het verschil is 10. Dan reken je 10 : 40 = 0,25, dus een stijging van 25%. Wie per ongeluk door 50 deelt, komt op 20% uit, en dat klopt niet.

Procenten berekenen bij korting en prijsverhoging

Bij korting gaat er een procent van de prijs af. Bij een prijsverhoging komt er een procent bij. In beide gevallen reken je het procent uit van de oude prijs.

Voorbeeld korting: een jas kost € 64 en je krijgt 15% korting. 10% is € 6,40 en 5% is € 3,20. Samen is de korting € 9,60. Je betaalt € 64 − € 9,60 = € 54,40.

Er is ook een snelle route: na 15% korting betaal je nog 85% van de prijs. 85% van € 64 is 0,85 × 64 = € 54,40. Hetzelfde antwoord.

Voorbeeld prijsverhoging: een sportabonnement van € 30 per maand wordt 5% duurder. 10% is € 3, dus 5% is € 1,50. De nieuwe prijs is € 31,50.

Stappenplan: procenten berekenen

  1. Lees goed wat er gevraagd wordt: een deel van een getal, hoeveel procent iets is, of een nieuwe prijs?
  2. Bepaal wat 100% is. Dat is bijna altijd het oorspronkelijke getal of de oude prijs.
  3. Reken 1% of 10% uit, afhankelijk van wat handig is.
  4. Bouw daarmee het procent op dat je nodig hebt.
  5. Bij korting trek je het af, bij een verhoging tel je het op.
  6. Controleer met een schatting: 15% korting moet een stuk minder zijn dan de helft van de prijs.

Veelgemaakte fouten

  • Korting op korting optellen. Eerst 20% korting en daarna nog 10% is niet hetzelfde als 30%. Van € 100 gaat eerst € 20 af, dan houd je € 80. Daarna gaat 10% van € 80 af, dat is € 8. Je betaalt € 72, dus de totale korting is 28%.
  • Het verkeerde geheel kiezen. Bij "hoeveel procent is gestegen" deel je door het oude getal, niet door het nieuwe.
  • Het procent als antwoord geven terwijl er een bedrag gevraagd wordt. Lees de vraag na het rekenen nog een keer.
  • De komma kwijtraken. 10% van 8,5 is 0,85 en niet 85. Schat even of je antwoord past.

Procenten in het dagelijks leven en op de toets

Procenten kom je overal tegen: in folders met korting, bij de batterij van je telefoon, bij rente op een spaarrekening en in het nieuws. Ook in het rekenonderdeel van de doorstroomtoets staan procenten vaak in zo'n herkenbare situatie. Het helpt dus om ze niet alleen als kale som te oefenen, maar ook in een verhaaltje. Op de pagina over redactiesommen in groep 8 zie je hoe je zo'n verhaalsom aanpakt. Een overzicht van alle rekenonderwerpen vind je bij rekenen oefenen in groep 8, en met de gratis oefentoets zie je hoe je kind het nu doet.

Tip voor thuis: neem samen een reclamefolder en laat je kind bij drie aanbiedingen uitrekenen wat je echt betaalt. Klopt het met wat er in de folder staat?

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Hoeveel is 15% van 260?

Het goede antwoord is B. 10% van 260 is 26. 5% is de helft daarvan: 13. Dus 15% is 26 + 13 = 39.
Vraag 2

Op een camping staan 80 tenten. Daarvan zijn er 28 groen. Hoeveel procent van de tenten is groen?

Het goede antwoord is D. Deel het deel door het geheel: 28 : 80 = 0,35. Keer 100 geeft 35%. Of: 8 tenten is 10%, dus 28 tenten is 3,5 × 10% = 35%.
Vraag 3

70% van een getal is 35. Welk getal is dat?

Het goede antwoord is C. Als 70% gelijk is aan 35, dan is 10% gelijk aan 35 : 7 = 5. Het hele getal (100%) is dan 10 × 5 = 50.
Vraag 4

Welke uitspraak over 30% van 50 en 50% van 30 klopt?

Het goede antwoord is A. 30% van 50 is 3 × 5 = 15. 50% van 30 is de helft van 30, ook 15. Ze zijn dus even groot.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken je procenten van een bedrag?

Deel het bedrag door 100 om 1% te vinden, of door 10 om 10% te vinden. Doe dat daarna keer het aantal procent dat je nodig hebt.

Hoe bereken je hoeveel procent iets is?

Deel het deel door het geheel en doe de uitkomst keer 100. Bijvoorbeeld 12 van de 48 is 12 : 48 = 0,25, dus 25%.

Hoe reken je korting in procenten uit?

Reken het procent uit van de oude prijs en trek dat af. Of reken meteen uit wat je nog betaalt: bij 15% korting is dat 85% van de prijs.

Mag je twee kortingen bij elkaar optellen?

Nee. De tweede korting gaat van de al verlaagde prijs af. Eerst 20% en dan 10% korting is samen 28%, niet 30%.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8