Breuken oefenen: oefeningen voor groep 7 en 8 met uitleg
Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer
Breuken oefenen werkt het best in korte rondes van ongeveer tien minuten, waarin je kind steeds één vaardigheid oefent: breuk van een getal, vergelijken, vereenvoudigen, optellen en aftrekken, en vermenigvuldigen en delen. Begin met plaatjes en verhaaltjes, en ga daarna pas naar kale sommen. Hieronder staan oefeningen met antwoorden en zes oefenvragen met uitleg.
Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten
Breuken oefenen: waar begin je?
Breuken oefenen gaat het best in kleine stukjes. Breuken bestaan uit een paar losse vaardigheden die op elkaar voortbouwen. Kan je kind nog niet goed vergelijken, dan wordt optellen lastig. Lukt optellen nog niet, dan is een verhaaltjessom met twee breuken te veel tegelijk. Kijk daarom eerst waar je kind staat, en oefen dan één ding per keer.
Op deze pagina vind je een overzicht van wat je kind moet kunnen, een oefenschema van vier weken, oefeningen met antwoorden die je zo kunt gebruiken, en onderaan zes oefenvragen met uitleg.
Wat moet je kind kunnen met breuken in groep 7 en 8?
De precieze volgorde verschilt per rekenmethode, maar deze onderdelen komen in groep 7 en 8 meestal aan bod.
| Vaardigheid | Voorbeeld | Antwoord |
|---|---|---|
| Breuk van een getal | 3/5 van 40 | 24 |
| Breuken vergelijken | Wat is groter: 2/3 of 3/5? | 2/3 |
| Vereenvoudigen | 18/24 | 3/4 |
| Optellen en aftrekken | 1/2 + 1/5 | 7/10 |
| Vermenigvuldigen | 2/3 × 9 | 6 |
| Delen | 2 : 1/3 | 6 |
| Omzetten | 3/4 als kommagetal en procent | 0,75 en 75% |
Merkt je kind dat een van deze regels nog niet lukt? Dan helpt de uitlegpagina erbij: breuken voor de basis, vereenvoudigen van breuken, breuken optellen en aftrekken, breuken vermenigvuldigen en breuken delen.
Oefenschema: breuken oefenen in vier weken
Dit schema gaat uit van vier korte oefenmomenten per week van ongeveer tien minuten. Dat is genoeg om iets te laten beklijven, en kort genoeg om het leuk te houden.
- Week 1: breuk van een getal en vergelijken. Oefen sommen als 2/3 van 21 en vragen als: wat is meer, 3/8 of 1/3?
- Week 2: gelijke breuken en vereenvoudigen. Laat je kind bij elke breuk twee breuken bedenken die even groot zijn.
- Week 3: optellen en aftrekken. Begin met gelijke noemers, daarna gelijknamig maken, daarna gemengde getallen.
- Week 4: vermenigvuldigen, delen en verhaaltjessommen. Sluit af met sommen waarin je eerst moet bedenken welke bewerking nodig is.
Oefeningen breuken met antwoorden
Laat je kind deze rondjes op papier maken. De antwoorden staan erachter, dus dek ze even af met een briefje. Na elk rondje bespreek je samen één fout: hoe kwam je kind op dat antwoord?
Rondje 1: breuk van een getal
Tip: deel eerst door de noemer, en doe dan keer de teller.
- 1/4 van 36 = 9
- 3/4 van 36 = 27
- 2/5 van 45 = 18
- 5/6 van 54 = 45
Rondje 2: welke breuk is groter?
- 3/8 of 1/3? Maak ze gelijknamig: 9/24 en 8/24. Dus 3/8 is groter.
- 4/5 of 5/6? Kijk hoeveel er nog mist tot 1: bij 4/5 is dat 1/5, bij 5/6 is dat 1/6. Er mist minder bij 5/6, dus 5/6 is groter.
- 7/12 of 1/2? Een half is 6/12, dus 7/12 is groter.
Rondje 3: rekenen met breuken
- 3/10 + 2/5 = 3/10 + 4/10 = 7/10
- 7/8 − 1/2 = 7/8 − 4/8 = 3/8
- 2/3 × 15 = 10
- 4 : 2/5 = 4 × 5/2 = 10
Rondje 4: verhaaltjessommen
- Een fietstocht is 24 km. Na 2/3 van de route is er een pauze. Hoeveel km moet je na de pauze nog fietsen? Na de pauze is er nog 1/3 over, en 1/3 van 24 = 8 km.
- Sam heeft 5 liter verf. Voor één plank is 1/4 liter nodig. Hoeveel planken kan hij verven? 5 : 1/4 = 20 planken.
- In een zak zitten 30 snoepjes. Lieke krijgt 1/3 en Bram krijgt 2/5. Hoeveel snoepjes blijven er over? Lieke krijgt 10, Bram krijgt 12, dus er blijven 8 over.
Rondje 5: omzetten naar kommagetal en procent
Tip: maak de noemer 10 of 100 als dat kan.
- 1/4 = 25/100 = 0,25 = 25%
- 3/5 = 6/10 = 0,6 = 60%
- 7/20 = 35/100 = 0,35 = 35%
- 1/8 = 0,125 = 12,5%. Deze is lastiger: de helft van 1/4 is 1/8, dus de helft van 25% is 12,5%.
Waar loopt je kind vast bij breuken oefenen?
Fouten bij breuken hebben vaak een vaste oorzaak. Herken je er een, dan weet je wat je kunt oefenen.
- Je kind denkt dat 1/8 groter is dan 1/4, omdat 8 groter is dan 4. Pak een reep of teken een pizza. In hoe meer stukken je hem verdeelt, hoe kleiner elk stuk.
- Je kind telt de noemers bij elkaar op. Ga terug naar gelijknamig maken met plaatjes. Twee kwarten en een kwart zijn drie kwarten, geen drie achtsten.
- Je kind rekent 3/4 van 20 als 20 : 3 × 4. Zeg de som hardop: eerst in vier gelijke delen verdelen, dan drie delen nemen.
- Je kind schrikt van een verhaaltje. Laat het verhaal eerst in eigen woorden navertellen. Vraag daarna pas: welke som hoort hierbij?
Oefenen zonder werkblad
- Dobbelsteenbreuken. Gooi met twee dobbelstenen. Het kleinste getal is de teller, het grootste de noemer. Wie de grootste breuk heeft, krijgt een punt. Bij gelijke worpen gooi je opnieuw.
- De klok. Een kwartier is 1/4 uur, twintig minuten is 1/3 uur. Hoeveel minuten is 3/4 uur? En 5/6 uur?
- Koken en bakken. Halveer of verdubbel een recept. Wat wordt 3/4 kopje als je het recept halveert?
- Sport. Een wedstrijd van 60 minuten, en je kind heeft 2/3 gespeeld. Hoeveel minuten is dat?
Breuken oefenen voor de doorstroomtoets
Breuken horen bij de rekenstof van groep 7 en 8, en dus ook bij wat de doorstroomtoets bij rekenen meet. Je hoeft je kind daarvoor geen trucjes te leren. Rustig oefenen met de onderdelen hierboven zorgt ervoor dat je kind de sommen herkent en minder snel schrikt van een breuk in een verhaaltje. Wil je weten hoe je kind het op alle onderdelen doet, dus ook lezen en taalverzorging? Maak dan samen de gratis oefentoets.
Oefen het meteen: 6 vragen met uitleg
Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.
Veelgestelde vragen
Hoe kun je breuken het beste oefenen?
Oefen kort en vaak, en steeds één onderdeel tegelijk. Begin met plaatjes of voorwerpen zoals een pizza of een reep, en ga pas naar kale sommen als je kind snapt wat een breuk betekent.
In welke groep leer je breuken?
Kinderen maken in de middenbouw al kennis met delen als een half en een kwart. Rekenen met breuken, zoals optellen en vermenigvuldigen, komt vooral in groep 6, 7 en 8 aan bod. De precieze volgorde verschilt per rekenmethode.
Mijn kind snapt breuken niet. Waar begin ik?
Begin bij de betekenis: een breuk is een deel van een geheel dat in gelijke stukken is verdeeld. Laat je kind breuken tekenen en vergelijken voordat je gaat rekenen.
Hoe lang moet je per dag breuken oefenen?
Ongeveer tien minuten per keer is genoeg. Vier keer per week kort oefenen werkt meestal beter dan één keer een uur.