Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Breuken uitgelegd voor groep 7 en 8

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Een breuk is een deel van een geheel. Het getal onder de streep (de noemer) zegt in hoeveel gelijke stukken het geheel is verdeeld, het getal boven de streep (de teller) hoeveel stukken je neemt. Bij 3/4 is het geheel in 4 gelijke stukken verdeeld en heb je er 3.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat zijn breuken?

Breuken zijn getallen die een deel van een geheel aangeven. Snijd je een pizza in 4 gelijke stukken en eet je er 1, dan heb je een kwart gegeten: 1/4. Het woord "gelijke" is belangrijk. Een breuk werkt alleen als alle stukken even groot zijn. Een pizza in vier rare, ongelijke stukken is dus niet in kwarten verdeeld.

Breuken kom je dagelijks tegen: een half brood, een kwartier, driekwart liter melk. Op school beginnen kinderen er al vroeg mee, en in groep 7 en 8 gaat het steeds verder: vergelijken, rekenen met breuken en omrekenen naar kommagetallen en procenten. Op deze pagina staat de basis, met verwijzingen naar de pagina's waar je verder kunt oefenen.

Teller, noemer en breukstreep

Een breuk bestaat uit drie delen. Neem 3/4 als voorbeeld.

  • De noemer is het getal onder de streep (4). Die noemt in hoeveel gelijke stukken het geheel is verdeeld.
  • De teller is het getal boven de streep (3). Die telt hoeveel van die stukken je hebt.
  • De breukstreep betekent eigenlijk "gedeeld door". 3/4 is hetzelfde als 3 : 4 = 0,75.

Een ezelsbruggetje: de noemer staat onder. De teller staat bovenaan en telt de stukken.

Gelijkwaardige breuken

Verschillende breuken kunnen precies even groot zijn. Een halve pizza is evenveel als twee kwarten of vier achtsten: 1/2 = 2/4 = 4/8. Je maakt een gelijkwaardige breuk door teller en noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen of door hetzelfde getal te delen.

Delen om een breuk zo klein mogelijk te schrijven heet vereenvoudigen. 8/12 wordt 2/3, want je kunt teller en noemer allebei door 4 delen. Hoe je dat handig aanpakt, staat op de pagina breuken vereenvoudigen.

Breuken vergelijken: welke is groter?

Bij het vergelijken van breuken zijn er drie situaties.

  • Dezelfde noemer: de breuk met de grootste teller is het grootst. 5/8 is meer dan 3/8.
  • Dezelfde teller: de breuk met de kleinste noemer is het grootst. 1/3 is meer dan 1/5, want als je door minder mensen deelt, krijgt ieder een groter stuk.
  • Allebei anders: maak de noemers gelijk. Dat heet gelijknamig maken.

Voorbeeld: wat is groter, 3/5 of 2/3? Zoek een noemer waar 5 en 3 allebei in passen: 15. Dan wordt 3/5 gelijk aan 9/15 en 2/3 gelijk aan 10/15. Dus 2/3 is net iets groter.

Je kunt breuken ook vergelijken door ze om te rekenen naar kommagetallen of procenten. Hoe dat werkt, lees je bij procenten, breuken en kommagetallen.

Snel schatten met de helft

Soms hoef je niet precies te rekenen. Vergelijk een breuk dan met 1/2. Is de teller meer dan de helft van de noemer, dan is de breuk groter dan een half. Bij 5/9 is de helft van 9 gelijk aan 4,5. De teller 5 is meer, dus 5/9 is iets meer dan een half. Bij 4/10 is de teller minder dan de helft van 10, dus 4/10 is minder dan een half. Zo zie je in één oogopslag dat 5/9 groter is dan 4/10.

Een breuk van een hoeveelheid uitrekenen

Dit is een van de onderdelen die het vaakst terugkomen in groep 7 en 8. "Hoeveel is 3/8 van 40?" Gebruik dit stappenplan:

  1. Deel de hoeveelheid door de noemer. Dan weet je hoe groot één stuk is: 40 : 8 = 5.
  2. Doe dat keer de teller: 5 × 3 = 15.
  3. Controleer: 3/8 is iets minder dan de helft, en 15 is iets minder dan de helft van 40. Dat klopt.

Gemengde getallen en onechte breuken

Een breuk waarvan de teller groter is dan de noemer heet een onechte breuk, bijvoorbeeld 7/3. Dat is meer dan één geheel. Je kunt hem ook schrijven als gemengd getal: een heel getal met een breuk erachter.

  • 7/3: 3/3 is één geheel, 6/3 zijn twee gehelen. Er blijft 1/3 over. Dus 7/3 = 2 1/3.
  • Andersom: 2 1/3 is 2 × 3 = 6 derden, plus 1 derde, samen 7/3.

Bij het rekenen met breuken is de onechte vorm vaak handiger, bij het opschrijven van een antwoord het gemengde getal.

Rekenen met breuken: een overzicht

In groep 8 leer je ook rekenen met breuken. Elke bewerking heeft een eigen aanpak. De tabel geeft een eerste overzicht; op de aparte pagina's staat de volledige uitleg met oefenvragen.

BewerkingWat doe je?Voorbeeld
Optellen en aftrekkenEerst gelijknamig maken, dan alleen de tellers optellen of aftrekken1/2 + 1/3 = 3/6 + 2/6 = 5/6
VermenigvuldigenTeller keer teller, noemer keer noemer2/3 × 3/4 = 6/12 = 1/2
DelenKeer het omgekeerde van de tweede breuk3/4 : 1/2 = 3/4 × 2/1 = 6/4 = 1 1/2

Lees verder bij breuken optellen en aftrekken, breuken vermenigvuldigen en breuken delen.

Veelgemaakte fouten bij breuken

  • Grotere noemer is groter. Veel kinderen denken dat 1/8 meer is dan 1/4, omdat 8 groter is dan 4. Het is andersom: hoe meer stukken, hoe kleiner elk stuk.
  • Tellers en noemers gewoon optellen. 1/2 + 1/3 is geen 2/5. Dat zie je meteen: 2/5 is minder dan 1/2, terwijl je er iets bij hebt gedaan.
  • Ongelijke stukken tellen. Bij een plaatje met verschillend grote vakjes mag je niet zomaar de vakjes tellen.
  • De noemer vergeten bij een hoeveelheid. 3/8 van 40 is niet 3 × 40 en ook niet 40 : 3.

Zo oefen je breuken thuis

Breuken worden veel begrijpelijker met echte dingen. Snijd een appel of pizza en laat je kind de stukken benoemen. Gebruik de klok: een kwartier is 1/4 uur, dus 15 minuten, en driekwartier is 45 minuten. Laat je kind een recept halveren of anderhalf keer zo groot maken. En bij de supermarkt: hoeveel is de helft van een pak van 1,5 liter? Kleine vragen tussendoor werken vaak beter dan een werkblad.

Klaar voor meer? Op de pagina breuken oefenen staan extra opgaven door elkaar.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Welke rij breuken staat van klein naar groot?

Het goede antwoord is B. Maak de noemers gelijk met 30 als noemer: 1/3 = 10/30, 2/5 = 12/30 en 1/2 = 15/30. Van klein naar groot is dat 1/3, 2/5, 1/2.
Vraag 2

Hoeveel is 2/5 van 35?

Het goede antwoord is C. Deel eerst door de noemer: 35 : 5 = 7. Doe dat keer de teller: 7 × 2 = 14.
Vraag 3

Welk gemengd getal is even groot als 11/4?

Het goede antwoord is D. 8/4 zijn 2 gehelen. Van 11/4 blijft dan 3/4 over. Dus 11/4 = 2 3/4.
Vraag 4

Hoeveel minuten is 3/4 uur?

Het goede antwoord is A. Een uur heeft 60 minuten. 1/4 uur is 60 : 4 = 15 minuten. 3/4 uur is 3 × 15 = 45 minuten.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen teller en noemer?

De noemer staat onder de streep en zegt in hoeveel gelijke stukken het geheel is verdeeld. De teller staat boven de streep en telt hoeveel van die stukken je hebt.

Hoe weet je welke breuk groter is?

Maak de noemers gelijk en vergelijk dan de tellers. Of reken beide breuken om naar een kommagetal of procent.

Wat is een gemengd getal?

Een gemengd getal is een heel getal met een breuk erachter, zoals 2 1/3. Het is een andere schrijfwijze voor een onechte breuk; 2 1/3 is gelijk aan 7/3.

Wat moet je kind in groep 8 kunnen met breuken?

In groep 8 moet je kind breuken kunnen vergelijken, vereenvoudigen, een breuk van een hoeveelheid uitrekenen en omrekenen naar kommagetallen en procenten. Ook optellen, aftrekken en vermenigvuldigen met breuken komen aan bod; de precieze stof verschilt per methode.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8