Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Vereenvoudigen van breuken: zo maak je een breuk zo eenvoudig mogelijk

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Bij het vereenvoudigen van breuken deel je de teller en de noemer door hetzelfde getal, zodat de getallen kleiner worden maar de breuk even groot blijft. Zo wordt 12/18 eerst 6/9 (delen door 2) en daarna 2/3 (delen door 3). Je bent klaar als teller en noemer geen gemeenschappelijke deler meer hebben behalve 1.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat betekent vereenvoudigen van breuken?

Bij het vereenvoudigen van breuken schrijf je een breuk met kleinere getallen, zonder dat de breuk zelf verandert. Snijd je een pizza in 8 stukken en eet je er 4, dan heb je 4/8 van de pizza op. Dat is precies de helft, dus 1/2. De breuken 4/8 en 1/2 zijn even groot. De tweede is alleen eenvoudiger opgeschreven.

Je vereenvoudigt door de teller en de noemer door hetzelfde getal te delen. Omdat je boven en onder hetzelfde doet, blijft de waarde gelijk. Het is eigenlijk het omgekeerde van gelijknamig maken, waarbij je teller en noemer juist met hetzelfde getal vermenigvuldigt.

Hoe vereenvoudig je een breuk? Het stappenplan

  1. Zoek een getal waardoor de teller en de noemer allebei deelbaar zijn. Probeer eerst 2, dan 3, dan 5.
  2. Deel de teller en de noemer door dat getal.
  3. Kijk of het nog een keer kan, met hetzelfde of een ander getal.
  4. Je bent klaar als teller en noemer geen gemeenschappelijke deler meer hebben, behalve 1.

Uitgewerkt voorbeeld: 36/48

  • 36 en 48 zijn allebei even, dus deel door 2: 18/24.
  • Weer allebei even: 9/12.
  • 9 en 12 zitten allebei in de tafel van 3: 3/4.
  • 3 en 4 hebben geen gemeenschappelijke deler meer. Het antwoord is 3/4.

Het mag in kleine stapjes, zoals hierboven. Het mag ook in één keer, als je ziet dat 36 en 48 allebei in de tafel van 12 zitten: 36 : 12 = 3 en 48 : 12 = 4.

Handige deelbaarheidsregels bij het vereenvoudigen

Bij grote getallen helpt het als je snel ziet waardoor een getal deelbaar is. Deze regels kun je met je kind op een kaartje zetten.

Deelbaar doorRegelVoorbeeld
2Het getal eindigt op 0, 2, 4, 6 of 858 is deelbaar door 2
3De cijfers opgeteld zijn deelbaar door 351: 5 + 1 = 6, dus 51 : 3 = 17
4De laatste twee cijfers zijn deelbaar door 4316: 16 is deelbaar door 4
5Het getal eindigt op 0 of 585 is deelbaar door 5
9De cijfers opgeteld zijn deelbaar door 9162: 1 + 6 + 2 = 9
10Het getal eindigt op 070/90 wordt 7/9

Soms helpen de regels je niet verder. Neem 51/85. Met de regel van 3 zie je dat 51 door 3 kan, maar 85 niet. Met de regel van 5 zie je dat 85 door 5 kan, maar 51 niet. Toch kan het: 51 = 3 × 17 en 85 = 5 × 17. Dus 51/85 = 3/5. Zulke breuken kom je niet vaak tegen, maar ze laten zien dat je soms verder moet zoeken dan 2, 3 en 5. Meer over delers lees je bij priemgetallen en deelbaarheid.

In één keer vereenvoudigen met de grootste gemene deler

De grootste gemene deler, vaak afgekort tot ggd, is het grootste getal waardoor de teller en de noemer allebei deelbaar zijn. Deel je daardoor, dan ben je in één stap klaar. Neem 24/40.

  • Delers van 24: 1, 2, 3, 4, 6, 8, 12, 24.
  • Delers van 40: 1, 2, 4, 5, 8, 10, 20, 40.
  • Het grootste getal dat in beide rijtjes staat is 8.
  • 24 : 8 = 3 en 40 : 8 = 5, dus 24/40 = 3/5.

Voor de meeste kinderen in groep 7 en 8 is de stapjesmethode handiger. De ggd is vooral fijn voor kinderen die hun tafels goed kennen en snel willen werken.

Vereenvoudigen voordat je vermenigvuldigt

Bij keersommen met breuken kun je al vereenvoudigen voordat je gaat rekenen. Dat heet ook wel wegstrepen. Neem 4/9 × 3/8. De 4 boven en de 8 onder kun je allebei door 4 delen: dan worden het 1 en 2. De 3 boven en de 9 onder kun je allebei door 3 delen: dan worden het 1 en 3. Er blijft 1/3 × 1/2 = 1/6 over. Reken je eerst en vereenvoudig je daarna, dan krijg je 12/72, en dat is ook 1/6. Het antwoord is hetzelfde, alleen werk je met kleinere getallen. Meer hierover lees je bij breuken vermenigvuldigen.

Onechte breuken en gemengde getallen

Ook breuken die groter zijn dan 1 kun je vereenvoudigen. 18/4 wordt na delen door 2 eerst 9/2, en dat is 4 1/2. Bij een gemengd getal kijk je alleen naar het breukdeel: 2 6/8 wordt 2 3/4. Het hele getal blijft gewoon staan.

Wanneer heb je vereenvoudigen van breuken nodig?

  • Na het rekenen. Na optellen of vermenigvuldigen komt er vaak een breuk uit die nog eenvoudiger kan. Zie breuken optellen en aftrekken.
  • Bij een deel van een groep. In een klas van 25 kinderen spelen er 15 op een club. Dat is 15/25 van de klas, en vereenvoudigd 3/5.
  • Bij procenten. 40% is 40/100, en dat is vereenvoudigd 2/5. Hoe dat samenhangt lees je bij procenten, breuken en kommagetallen.
  • Bij vergelijken. Is 14/35 meer of minder dan 1/2? Vereenvoudigd is het 2/5, en dan zie je meteen dat het minder is.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen de teller delen. Van 6/8 maken sommige kinderen 3/8. Dat is een andere breuk. Deel altijd boven en onder.
  • Aftrekken in plaats van delen. 6/8 is niet hetzelfde als 4/6. Als je bij allebei 2 aftrekt, verandert de waarde: 6/8 is drie kwart, 4/6 is twee derde.
  • Halverwege stoppen. 18/24 naar 9/12 is goed begonnen, maar nog niet af. Kijk na elke stap opnieuw.
  • Denken dat de breuk kleiner wordt. Vereenvoudigen maakt de getallen kleiner, niet de breuk. 1/2 en 4/8 zijn precies evenveel.

Een ezelsbruggetje: boven en onder door hetzelfde getal, dan blijft de breuk gelijk en wordt hij simpel.

Zo oefen je thuis

  • Speel memory met kaartjes waarop gelijke breuken staan, zoals 2/6 en 1/3 of 10/15 en 2/3.
  • Pak een eierdoos van 12 en leg er eitjes of knikkers in. Acht van de twaalf vakjes vol: welke eenvoudige breuk is dat? Twee derde.
  • Oefen de tafels tot 10. Wie de tafels kent, ziet sneller welk getal in teller en noemer allebei past.

Is de basis van breuken nog niet stevig, begin dan bij breuken. Kan je kind dit al goed? Ga dan door met breuken oefenen, waar alle onderdelen door elkaar staan.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Vereenvoudig 15/35 zo ver mogelijk.

Het goede antwoord is B. 15 en 35 zitten allebei in de tafel van 5. Deel teller en noemer door 5: 15 : 5 = 3 en 35 : 5 = 7. Dat geeft 3/7.
Vraag 2

Welke breuk kun je NIET verder vereenvoudigen?

Het goede antwoord is A. 8 = 2 × 2 × 2 en 27 = 3 × 3 × 3. Ze hebben geen gemeenschappelijke deler behalve 1. De andere breuken kun je wel vereenvoudigen: 3/5, 2/3 en 2/5.
Vraag 3

In een klas zitten 32 kinderen. Daarvan hebben 20 kinderen een huisdier. Welk deel van de klas heeft een huisdier, zo eenvoudig mogelijk geschreven?

Het goede antwoord is C. Het deel is 20/32. Deel teller en noemer door 4: 20 : 4 = 5 en 32 : 4 = 8. Dat is 5/8. Het antwoord 3/8 hoort bij de kinderen zonder huisdier.
Vraag 4

Wat is de grootste gemene deler van 42 en 56, en wat wordt 42/56 als je daardoor deelt?

Het goede antwoord is D. 42 = 3 × 14 en 56 = 4 × 14. Het grootste getal dat in allebei past is 14. Dus 42/56 = 3/4. Delen door 7 of 2 mag ook, maar dan ben je nog niet klaar.

Veelgestelde vragen

Wat betekent een breuk vereenvoudigen?

Je schrijft de breuk met kleinere getallen door de teller en de noemer door hetzelfde getal te delen. De breuk blijft even groot, bijvoorbeeld 6/9 = 2/3.

Hoe weet je of een breuk niet verder kan?

Als er geen getal groter dan 1 is waardoor de teller en de noemer allebei deelbaar zijn, ben je klaar. Bij 7/9 is dat zo: 7 heeft alleen de delers 1 en 7, en 9 is niet deelbaar door 7.

Moet je een breuk altijd vereenvoudigen?

Een breuk die niet vereenvoudigd is, is niet fout, want hij is even groot. Toch wordt meestal verwacht dat je het antwoord zo eenvoudig mogelijk opschrijft.

Wat is het verschil tussen vereenvoudigen en gelijknamig maken?

Bij vereenvoudigen deel je teller en noemer door hetzelfde getal, zodat de getallen kleiner worden. Bij gelijknamig maken vermenigvuldig je ze juist, zodat twee breuken dezelfde noemer krijgen.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8