Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Werkwoordspelling: de regels op een rij

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Bij werkwoordspelling bepaal je eerst of een woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord is, in welke tijd de zin staat en wat het onderwerp is. In de tegenwoordige tijd schrijf je bij hij en bij zij (één persoon) de stam plus t. In de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord beslist 't kofschip of je een t of een d schrijft.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Werkwoordspelling gaat over de vraag hoe je een werkwoord schrijft als het in een zin staat. Het lastige is dat je veel verschillen niet hoort: ik word, hij wordt en het werd klinken aan het eind allemaal als een t. Daarom heb je regels nodig. Op deze pagina zie je ze allemaal op een rij, met voorbeelden en de fouten die kinderen in groep 7 en 8 het vaakst maken.

Werkwoordspelling begint bij drie vragen

Voordat je een regel kunt toepassen, moet je weten met wat voor werkwoordsvorm je te maken hebt. Stel daarom altijd eerst deze drie vragen:

  1. Is het een persoonsvorm of een voltooid deelwoord? De persoonsvorm verandert als je de tijd verandert. Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan bij een vorm van hebben of zijn. Twijfel je, lees dan eerst de uitleg over de persoonsvorm.
  2. In welke tijd staat de zin? Tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger)?
  3. Wat is het onderwerp? Ik, jij, hij, wij? En staat het onderwerp voor of achter de persoonsvorm?

Met die drie antwoorden kies je de regel. Een handig overzicht om op te hangen vind je bij het schema voor werkwoordspelling.

Werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd

In de tegenwoordige tijd werk je met de stam. Die vind je door van het hele werkwoord -en af te halen en het woord daarna goed te spellen: lopen wordt loop, bakken wordt bak, verhuizen wordt verhuis. De stam van een Nederlands werkwoord eindigt nooit op een v of z.

OnderwerpRegelVoorbeeld met lezenVoorbeeld met worden
ikstamik leesik word
jij, je, ustam + tjij leestjij wordt
jij of je achter de persoonsvormstamlees jijword jij
hij, zij, hetstam + tzij leesthij wordt
wij, jullie, zijhele werkwoordwij lezenzij worden

Eindigt de stam al op een t, zoals bij zitten (stam zit), dan komt er geen tweede t bij: hij zit. Eindigt de stam op een d, dan schrijf je bij hij en zij wel de t erachter: hij vindt, zij rijdt. Zo ontstaat dt.

Let op bij je en jij

Achter de persoonsvorm valt de t alleen weg als het onderwerp jij of je is. In Word je morgen twaalf? is je het onderwerp, dus geen t. In Wordt je zus ook uitgenodigd? is je zus het onderwerp, en dan blijft de t staan. Hier betekent je eigenlijk jouw. Een handige controle: kun je je vervangen door jouw? Dan hoort de t erbij. Voor u geldt die uitzondering niet: Vindt u het goed?

Werkwoordspelling in de verleden tijd

Bij de verleden tijd zijn er twee soorten werkwoorden.

  • Sterke werkwoorden veranderen van klank: lopen wordt liep, zwemmen wordt zwom, schrijven wordt schreef. Die vormen leer je uit je hoofd.
  • Zwakke werkwoorden krijgen -te of -de achter de stam. Welke van de twee, bepaal je met 't kofschip. Eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan wordt het -te: hij werkte. Anders wordt het -de: hij speelde. In het meervoud komt er een n bij: wij werkten, wij speelden.

Kijk bij werkwoorden op -ven en -zen naar de v of z in het hele werkwoord: leven wordt leefde, reizen wordt reisde. De uitgebreide uitleg met veel voorbeelden staat bij de verleden tijd en 't kofschip.

Het voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord gebruik je bij hebben, zijn of worden: ik heb gewerkt, het is gebeurd. Bij zwakke werkwoorden eindigt het op een t of d, en ook daar beslist 't kofschip: gewerkt, gespeeld. Je hoort het verschil niet, maar je kunt het controleren met de verleden tijd: werkte, dus gewerkt; speelde, dus gespeeld. Sterke werkwoorden eindigen meestal op -en: gelopen, gezwommen.

Staat het voltooid deelwoord voor een zelfstandig naamwoord, dan krijgt het vaak een e: de geverfde deur, de gepoetste ramen. Alles over deze vorm lees je bij het voltooid deelwoord.

Engelse werkwoorden

Kinderen gebruiken veel Engelse werkwoorden, zoals liken, skaten en scoren. Die vervoeg je gewoon volgens de Nederlandse regels. De stam is het Engelse woord: like, skate. Voor 't kofschip kijk je naar de laatste klank die je uitspreekt, niet naar de laatste letter. Bij like hoor je een k, dus: hij liket, ik likete, ik heb het geliket. Bij scoren hoor je een r, dus: hij scoorde, ze heeft gescoord. Deze vormen staan ook zo in de Woordenlijst Nederlandse Taal.

Uitgewerkt voorbeeld

Neem de zin: Mijn tante (verhuizen) vorig jaar naar Utrecht.

  1. Het werkwoord verandert als je de tijd verandert, dus het is de persoonsvorm.
  2. Vorig jaar wijst op de verleden tijd.
  3. Verhuizen is een zwak werkwoord. In het hele werkwoord staat een z, en die zit niet in 't kofschip. Dus -de.
  4. De stam schrijf je met een s: verhuis. Met -de erachter wordt het verhuisde.

Goed: Mijn tante verhuisde vorig jaar naar Utrecht.

Veelgemaakte fouten bij werkwoordspelling

  • Een t vergeten bij hij of zij: hij vind moet hij vindt zijn.
  • Een t te veel bij jij achter de persoonsvorm: vindt jij moet vind jij zijn.
  • Persoonsvorm en voltooid deelwoord verwarren: het is gebeurt moet het is gebeurd zijn. Hier is het een voltooid deelwoord, geen persoonsvorm.
  • Een d te weinig in de verleden tijd: hij antwoorde moet hij antwoordde zijn: stam antwoord plus -de.

Wil je deze regels meteen toepassen? Op werkwoordspelling oefenen staan oefenzinnen met uitleg.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Welk woord hoort op de puntjes? Mijn opa ... elke ochtend de krant. (lezen)

Het goede antwoord is B. Het onderwerp is 'mijn opa', dat is hij. Bij hij schrijf je de stam plus t: 'lees' + t = 'leest'.
Vraag 2

Welk woord hoort op de puntjes? Gisteren ... de hond van de buren de hele nacht. (blaffen)

Het goede antwoord is D. De stam is 'blaf' en eindigt op een f. Die zit in 't kofschip, dus het wordt -te: 'blafte'. Het onderwerp is één hond, dus zonder n.
Vraag 3

Welk woord hoort op de puntjes? Ons huis is vijftig jaar geleden ... (bouwen)

Het goede antwoord is A. Dit is een voltooid deelwoord bij 'is'. De stam 'bouw' eindigt op een w, die niet in 't kofschip zit. Dus 'gebouwd' met een d.
Vraag 4

Welk woord hoort op de puntjes? ... u de ingang? Die is om de hoek. (zoeken)

Het goede antwoord is B. De regel dat de t wegvalt achter de persoonsvorm geldt alleen voor jij en je. Bij u blijft de t staan: 'Zoekt u'.

Veelgestelde vragen

Wat is werkwoordspelling?

Werkwoordspelling zijn de regels voor het schrijven van werkwoorden in een zin, zoals de keuze tussen d, t en dt en tussen -te en -de. Je hebt ze nodig omdat je veel verschillen niet hoort.

Wanneer schrijf je dt?

Dt schrijf je als de stam op een d eindigt en er een t bij moet, bijvoorbeeld bij hij of zij in de tegenwoordige tijd: 'hij vindt'. Ook bij u, en bij jij als jij voor het werkwoord staat: 'jij vindt'.

Wat is de stam van een werkwoord?

De stam is het hele werkwoord min -en, goed gespeld. 'Lopen' wordt 'loop' en 'verhuizen' wordt 'verhuis'. Bij ik gebruik je de stam zonder iets erachter.

Hoe weet je of een werkwoord sterk of zwak is?

Zet het werkwoord in de verleden tijd. Verandert de klinker, zoals bij 'lopen' en 'liep', dan is het sterk. Komt er -te of -de achter, zoals bij 'werkte', dan is het zwak.

Meer over taal en taalverzorging voor de doorstroomtoets

Bronnen