Schema werkwoordspelling: stap voor stap
Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer
Een schema voor werkwoordspelling is een stappenplan: eerst bepaal je of het werkwoord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord is, dan de tijd, dan het onderwerp. Bij de verleden tijd en het voltooid deelwoord beslist 't kofschip of je een t of een d schrijft.
Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten
Een schema voor werkwoordspelling is een stappenplan dat je kind bij elk werkwoord van boven naar beneden afloopt. Elke stap is een vraag met een paar mogelijke antwoorden, en aan het eind staat de juiste schrijfwijze. Het voordeel: je kind hoeft niet alle regels tegelijk te onthouden, maar alleen de volgende vraag. Hieronder vind je het schema, dezelfde regels in een tabel en drie zinnen die we samen door het schema halen.
Waarom een schema voor werkwoordspelling helpt
Bij werkwoorden zijn er veel regels die op elkaar lijken. Kinderen weten vaak wel dat er iets met een t was, maar niet meer wanneer. Een schema zet de regels in een vaste volgorde. Daardoor gaat je kind steeds op dezelfde manier te werk, en dat geeft rust, ook bij een toets. Na een paar weken oefenen heeft je kind het schema meestal niet meer op papier nodig, omdat de vragen vanzelf in het hoofd opkomen.
De achtergrond van elke regel lees je bij werkwoordspelling. Op deze pagina gaat het om het schema zelf.
Het schema voor werkwoordspelling stap voor stap
- Zoek het werkwoord in de zin. Staat er een vorm van hebben, zijn of worden in de zin en staat het werkwoord achteraan, dan is het waarschijnlijk een voltooid deelwoord. Ga naar stap 5. Staat het werkwoord voor een zelfstandig naamwoord, zoals in de geverfde deur, ga dan naar stap 6. Anders is het de persoonsvorm: ga naar stap 2.
- Bepaal de tijd. Gebeurt het nu, dan is het de tegenwoordige tijd: ga naar stap 3. Is het al gebeurd, dan is het de verleden tijd: ga naar stap 4.
- Tegenwoordige tijd: kijk naar het onderwerp.
- ik: alleen de stam (ik werk)
- jij of je achter de persoonsvorm: alleen de stam (werk jij)
- jij, je, u, hij, zij, het of één ding of persoon: stam + t (hij werkt)
- meervoud: het hele werkwoord (wij werken)
- Verleden tijd: sterk of zwak? Verandert de klinker (lopen, liep), dan is het sterk: leer de vorm. Is het zwak, kijk dan naar de laatste letter van de stam. Zit die in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), schrijf dan stam + te. Anders stam + de. Bij meervoud komt er een n bij.
- Voltooid deelwoord. Zet ge- voor de stam, behalve als het werkwoord begint met be-, ge-, her-, er-, ont- of ver-. Bij werkwoorden als opruimen komt ge- in het midden: opgeruimd. Zit de laatste letter van de stam in 't kofschip, eindig dan op t. Anders op d. Eindigt de stam al op t of d, dan komt er niets bij. Sterke werkwoorden eindigen meestal op -en.
- Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord. Maak eerst het deelwoord zoals in stap 5 en zet er een e achter: geverfd wordt geverfde. Eindigt het deelwoord op -en, dan komt er niets bij: de gebakken eieren.
Het schema in één tabel
Voor wie liever in een overzicht kijkt, staan dezelfde regels hier naast elkaar. Je kunt deze tabel overschrijven op een kaartje en bij het huiswerk leggen.
| Situatie | Regel | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Tegenwoordige tijd, ik | stam | ik meld |
| Tegenwoordige tijd, jij of je erachter | stam | meld jij |
| Tegenwoordige tijd, jij, u, hij, zij | stam + t | zij meldt |
| Tegenwoordige tijd, meervoud | hele werkwoord | wij melden |
| Verleden tijd, zwak, letter uit 't kofschip | stam + te(n) | hij wachtte |
| Verleden tijd, zwak, andere letter | stam + de(n) | hij meldde |
| Verleden tijd, sterk | klinker verandert | hij zwom |
| Voltooid deelwoord, zwak | ge + stam + t of d | gewacht, gemeld |
| Voltooid deelwoord, sterk | meestal ge + ... + en | gezwommen |
| Bijvoeglijk gebruikt | deelwoord + e | de gemelde fout |
Zo maak je samen een eigen schemakaart
Een schema dat je kind zelf maakt, onthoudt het beter dan een geprint blad. Pak een stevig kaartje en laat je kind de zes stappen in eigen woorden opschrijven, met bij elke stap één voorbeeld met een werkwoord dat het zelf kiest. Gebruik twee kleuren: één voor de vragen en één voor de regels. Hang de kaart bij de plek waar je kind huiswerk maakt en haal hem er na een paar weken weer af om te zien of het ook zonder lukt.
Drie zinnen door het schema
Zin 1: Hoe laat ... de trein? (vertrekken)
Er staat geen hebben of zijn, dus het is de persoonsvorm. De zin gaat over nu: tegenwoordige tijd. Het onderwerp is de trein, dat is één ding. Dus stam + t: vertrek + t = vertrekt. Dat jij achter de persoonsvorm geen t krijgt, telt hier niet: het onderwerp is geen jij.
Zin 2: Gisteren ... de kinderen een uur op de bus. (wachten)
Persoonsvorm, en gisteren wijst op de verleden tijd. Wachten is zwak. De stam wacht eindigt op een t, en die zit in 't kofschip: stam + te. Het onderwerp is meervoud, dus er komt een n bij: wachtten. Ja, met twee t's: één van de stam en één van de uitgang.
Zin 3: De taart is door oma ... (versieren)
Er staat is en het werkwoord staat achteraan: voltooid deelwoord. Het werkwoord begint met ver-, dus geen ge-. De stam versier eindigt op een r, die niet in 't kofschip zit: een d. Dus versierd.
Waar het schema extra opletten vraagt
- Werkwoorden op -ven en -zen. Voor 't kofschip kijk je naar de v of z in het hele werkwoord, niet naar de f of s in de stam: leven wordt leefde.
- Engelse werkwoorden. Kijk naar de klank die je hoort: skaten wordt skatete en geskatet.
- Sterke werkwoorden. Het schema zegt alleen dát ze sterk zijn. De vormen zelf leer je uit je hoofd.
- Persoonsvorm niet herkend. Begint het al mis bij stap 1, oefen dan eerst het vinden van de persoonsvorm.
Meer over stap 4 lees je bij de verleden tijd en 't kofschip. Wil je het schema meteen gebruiken, ga dan naar werkwoordspelling oefenen.
Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg
Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.
Veelgestelde vragen
Wat is een schema voor werkwoordspelling?
Een schema is een vast stappenplan met vragen die je bij elk werkwoord afloopt. Aan het eind weet je welke regel geldt en hoe je het werkwoord schrijft.
Mag je kind een schema gebruiken op de doorstroomtoets?
Hulpmiddelen op de toets mogen meestal niet, maar dat hoeft ook niet. Wie het schema vaak heeft gebruikt, loopt de stappen vanzelf in het hoofd af.
Werkt het schema ook voor sterke werkwoorden?
Het schema laat zien dat een werkwoord sterk is, maar geeft de vorm niet. Sterke werkwoorden zoals 'zwemmen, zwom, gezwommen' leer je uit je hoofd.
Waarom staat de persoonsvorm in het schema voorop?
Voor de persoonsvorm en het voltooid deelwoord gelden andere regels. Wie dat eerst bepaalt, kiest daarna sneller de juiste regel.