Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Werkwoordspelling oefenen: zinnen en weekplan

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Werkwoordspelling oefen je met korte zinnen waarin je kind het werkwoord invult en daarbij drie vragen beantwoordt: welke vorm, welke tijd en welk onderwerp. Oefen een paar keer per week een kwartier, telkens met één onderdeel, en eindig met een mix.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Werkwoordspelling oefenen lukt het best met korte zinnen waarin je kind zelf het werkwoord invult en hardop vertelt waarom. Niet raden, maar redeneren: welke vorm is het, welke tijd, welk onderwerp? Op deze pagina vind je oefenzinnen met antwoorden, een weekplan van vijf korte rondes en de denkstappen die je kind daarbij helpen. Ken je de regels nog niet goed, lees dan eerst de uitleg over werkwoordspelling.

Werkwoordspelling oefenen in drie denkstappen

Bij elke oefenzin loopt je kind dezelfde drie stappen af. Na een tijdje gaat dat vanzelf.

  1. Welke vorm? Is het werkwoord de persoonsvorm, of een voltooid deelwoord bij hebben, zijn of worden? Of staat het als bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord?
  2. Welke tijd? Gebeurt het nu of is het al gebeurd? Woorden als gisteren, vorige week en vroeger wijzen op de verleden tijd.
  3. Welk onderwerp? Is het ik, jij, hij of een meervoud? Staat jij of je achter de persoonsvorm?

Daarna kiest je kind de regel. Het helpt om die stappen op een kaartje te hebben. Een volledig overzicht vind je bij het schema voor werkwoordspelling.

Oefenzinnen met antwoorden

Dek de rechterkolommen af en laat je kind het werkwoord invullen. Kijk daarna samen of de redenering klopt.

ZinAntwoordWaarom
Het water in de pan ... al. (koken)kooktTegenwoordige tijd, onderwerp het water: stam kook + t.
Wat ... je precies? (bedoelen)bedoelJe staat achter de persoonsvorm, dus alleen de stam.
Wat ... je broer precies? (bedoelen)bedoeltHet onderwerp is je broer, dat is hij: stam + t.
Wanneer ... jullie bij ons eten? (komen)komenJullie is meervoud: het hele werkwoord.
Gisteren ... wij een verrassingsfeest. (plannen)plandenVerleden tijd, stam plan eindigt op n, niet in 't kofschip: -de, meervoud -den.
Vorige week ... ik de bus twee keer. (missen)misteStam mis eindigt op s, die zit in 't kofschip: -te.
De juf heeft de toetsen al ... (nakijken)nagekekenSterk werkwoord: kijken, keek, gekeken. Bij nakijken komt ge in het midden.
De ... zwembaden gaan morgen open. (verwarmen)verwarmdeDeelwoord verwarmd, voor een zelfstandig naamwoord met een e erachter.
Het ... dak is weer waterdicht. (repareren)gerepareerdeDeelwoord gerepareerd, met d omdat de stam repareer op een r eindigt. Voor dak komt er een e achter.
Heb jij de planten al water ... ? (geven)gegevenSterk werkwoord: geven, gaf, gegeven.

Uitgewerkt voorbeeld: twee zinnen die op elkaar lijken

Vergelijk Wat bedoel je? en Wat bedoelt je broer? In beide zinnen staat je achter de persoonsvorm. Toch staat de persoonsvorm in de eerste zin zonder t en in de tweede zin met t. In de eerste zin is je zelf het onderwerp. In de tweede zin is je broer het onderwerp, en je betekent daar jouw. Probeer het: Wat bedoelt jouw broer? Klinkt goed, dus de t blijft. Laat je kind zulke paren zelf bedenken; dat is een van de beste oefeningen voor werkwoordspelling.

Weekplan: werkwoordspelling oefenen in vijf rondes

Vijf keer een kwartier is genoeg voor een stevige herhaling. Gebruik zinnen uit het dagelijks leven van je kind: sport, school, vrienden.

RondeOnderwerpZo pak je het aan
1Tegenwoordige tijdTien zinnen met ik, jij en hij. Let op werkwoorden met een stam op d.
2Jij en je achter de persoonsvormMaak van gewone zinnen vragen: jij vindt wordt vind jij.
3Verleden tijdZet een kort verhaaltje van vandaag in de verleden tijd, met 't kofschip.
4Voltooid deelwoordZinnen met heb, ben en is. Controleer de d of t met de verleden tijd.
5Alles door elkaarEen kort dictee van vijf zinnen en samen nakijken.

Andere manieren om werkwoorden te oefenen

  • Fouten zoeken in je eigen tekst. Laat je kind een stukje schrijven over het weekend en daarna alle werkwoorden onderstrepen en controleren.
  • De vervangtruc. Twijfel je bij een stam op d, vervang het werkwoord dan door een vorm van lopen. Zeg je hij loopt, dan schrijf je bij vinden ook een t: hij vindt. Zeg je loop jij, dan komt er geen t: vind jij. Deze truc werkt alleen in de tegenwoordige tijd.
  • Hardop redeneren. Vraag niet alleen of het goed is, maar ook waarom. Een kind dat zijn redenering kan uitleggen, maakt minder slordigheidsfouten.
  • Kort maar vaak. Tien zinnen per dag werkt beter dan vijftig op zondag.

Zelf oefenzinnen maken

Je hoeft geen werkbladen te kopen om werkwoordspelling te oefenen. Met deze aanpak maak je in een paar minuten zelf goede oefenzinnen:

  • Kies werkwoorden die je kind vaak gebruikt, zoals trainen, wachten, appen en worden.
  • Maak van elk werkwoord drie zinnen: één met hij of zij, één met jij achter de persoonsvorm en één in de verleden tijd.
  • Zet het hele werkwoord tussen haakjes achter de zin, zodat je kind weet om welk werkwoord het gaat.
  • Houd een lijstje bij van de vormen die fout gingen en neem die een paar dagen later opnieuw.

Zo ziet je kind hetzelfde werkwoord in verschillende vormen en merkt het dat de regel bepaalt hoe je schrijft, niet hoe het klinkt.

Waar loopt je kind vast?

Gaat het steeds mis bij dezelfde vorm, zoom dan in op dat onderdeel. Bij twijfel tussen -te en -de helpt de uitleg over de verleden tijd en 't kofschip. Gaat het mis bij woorden achter hebben en zijn, kijk dan bij het voltooid deelwoord. En wil je weten of je kind het al zelfstandig kan, laat het dan de gratis oefentoets maken, waar ook taalverzorging in zit.

Op de doorstroomtoets hoort werkwoordspelling bij taalverzorging. Welke vragen erop komen, weet niemand vooraf. Met deze manier van oefenen leert je kind wel om bij elke vraag rustig dezelfde stappen te volgen.

Oefen het meteen: 6 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Welk woord hoort op de puntjes? Wanneer ... jij je kamer op? (opruimen)

Het goede antwoord is D. Jij staat achter de persoonsvorm. Dan schrijf je alleen de stam, zonder t: 'Wanneer ruim jij je kamer op?'
Vraag 2

Welk woord hoort op de puntjes? Mijn broer ... dat hij als eerste thuis is. (wedden)

Het goede antwoord is A. Het onderwerp is 'mijn broer', dat is hij. De stam 'wed' krijgt dan een t: 'wedt'.
Vraag 3

Welk woord hoort op de puntjes? Vorige zomer ... wij twee weken in een tent. (slapen)

Het goede antwoord is B. 'Slapen' is een sterk werkwoord: slapen, sliep, geslapen. Bij wij komt er -en achter: 'sliepen'.
Vraag 4

Welk woord hoort op de puntjes? De bal ... met een harde klap tegen het raam. (knallen)

Het goede antwoord is C. De stam 'knal' eindigt op een l, die zit niet in 't kofschip. Dus -de: 'knalde'. Het onderwerp is één bal, dus zonder n.
Vraag 5

Welk woord hoort op de puntjes? We hebben de hele middag in het park ... (skaten)

Het goede antwoord is B. Bij Engelse werkwoorden is de stam het Engelse woord 'skate'. Je hoort aan het eind een t, dus wordt het 'geskatet'.
Vraag 6

Welk woord hoort op de puntjes? De ... fietsen staan achter het hotel. (verhuren)

Het goede antwoord is C. Het deelwoord is 'verhuurd', zonder ge- omdat het werkwoord met ver- begint. Voor een zelfstandig naamwoord komt er een e achter: 'verhuurde'.

Veelgestelde vragen

Hoe oefen je werkwoordspelling het snelst?

Kort en vaak: elke dag tien zinnen werkt beter dan één lange sessie. Laat je kind bij elke zin hardop zeggen welke vorm, tijd en welk onderwerp het ziet.

Wat is de truc met lopen?

Twijfel je bij een werkwoord met een stam op d, zeg de zin dan met 'lopen'. Hoor je 'loopt', dan schrijf je ook een t, zoals in 'hij vindt'. Deze truc werkt alleen in de tegenwoordige tijd.

Waarom maakt mijn kind fouten die het eigenlijk wel weet?

Vaak gaat het mis door te snel te schrijven. Laat je kind na het schrijven de werkwoorden onderstrepen en elk werkwoord nog één keer controleren.

Zit werkwoordspelling in de doorstroomtoets?

Werkwoordspelling hoort bij het onderdeel taalverzorging, dat in alle doorstroomtoetsen zit. Hoe de vragen eruitzien verschilt per toets.

Meer over taal en taalverzorging voor de doorstroomtoets

Bronnen