Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Verleden tijd: zo werkt 't kofschip

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

In de verleden tijd krijgen zwakke werkwoorden -te of -de achter de stam. Eindigt de stam op een letter uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan schrijf je -te, zoals in 'lachte'; anders -de, zoals in 'hoorde'. Sterke werkwoorden veranderen van klank, zoals 'drinken' en 'dronk'.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

De verleden tijd gebruik je voor iets wat al gebeurd is: Gisteren lachte ik me slap. Bij zwakke werkwoorden zet je -te of -de achter de stam, en met het ezelsbruggetje 't kofschip weet je welke van de twee. Sterke werkwoorden veranderen van klank, zoals drinken en dronk. Hieronder lees je hoe het precies werkt, met een overzichtstabel, de lastige gevallen en de fouten die kinderen in groep 7 en 8 vaak maken.

Wat is de verleden tijd?

Met de verleden tijd wordt op school meestal de onvoltooid verleden tijd bedoeld. Dat is de verleden tijd die uit één werkwoord bestaat: ik lachte, wij zwommen. Daarnaast bestaan er voltooide tijden met hebben of zijn, zoals ik heb gelachen en ik had gelachen. Die worden uitgelegd bij de voltooid verleden tijd. Op deze pagina gaat het om de vorm met één werkwoord.

Je herkent de verleden tijd vaak aan woorden als gisteren, vorige week, toen en vroeger. Maar ook zonder zo'n woord kan een zin in de verleden tijd staan: Ze opende de deur.

Zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd

In de verleden tijd zijn er twee soorten werkwoorden:

  • Zwakke werkwoorden houden dezelfde klank en krijgen er -te of -de bij: horen, hoorde; koken, kookte. Dit zijn de meeste werkwoorden.
  • Sterke werkwoorden veranderen van klank: zingen, zong; rijden, reed; vriezen, vroor. Daar komt geen -te of -de achter.

Hoe weet je welke soort het is? Probeer de verleden tijd hardop. Klinkt een vorm met -te of -de raar, zoals "zingde", dan is het werkwoord waarschijnlijk sterk.

't Kofschip: kiezen tussen -te en -de

Bij zwakke werkwoorden kijk je naar de laatste letter van de stam. Zit die in 't kofschip, dan schrijf je -te. Zo niet, dan -de. De medeklinkers in 't kofschip zijn: t, k, f, s, ch en p. Er bestaan ook andere ezelsbruggetjes met dezelfde letters, zoals 't fokschaap.

  1. Zoek het hele werkwoord, bijvoorbeeld hopen.
  2. Haal er -en af en spel de stam goed: hoop.
  3. Kijk naar de laatste letter: een p. Die zit in 't kofschip.
  4. Kies de uitgang: -te. Dus ik hoopte.
  5. Is het onderwerp meervoud? Zet er een n achter: wij hoopten.

Overzichtstabel

Hele werkwoordStamIn 't kofschip?EnkelvoudMeervoud
lachenlachja (ch)lachtelachten
straffenstrafja (f)straftestraften
groetengroetja (t)groettegroetten
horenhoornee (r)hoordehoorden
zagenzaagnee (g)zaagdezaagden
schuddenschudnee (d)schuddeschudden
levenleefnee (v in leven)leefdeleefden
blozenbloosnee (z in blozen)bloosdebloosden

Twee t's of twee d's

Eindigt de stam al op een t, dan krijg je twee t's: groet + te = groette. Eindigt de stam op een d, dan krijg je twee d's: schud + de = schudde. Je hoort het niet, maar het moet wel. Zo zie je het verschil tussen ik groet (nu) en ik groette (vroeger). Let op bij schudden: de meervoudsvorm wij schudden is in de tegenwoordige en de verleden tijd precies hetzelfde.

Werkwoorden op -ven en -zen

Bij leven schrijf je de stam als leef en bij blozen als bloos, want een Nederlands woord eindigt nooit op een v of z. Toch krijgen ze -de. Voor 't kofschip kijk je namelijk naar de v of z die je in het hele werkwoord hoort. Die zitten niet in 't kofschip. Dus leefde en bloosde, niet "leefte" en "blooste".

Woorden met sj en x

Bij een stam die eindigt op de klank sj, zoals in lunchen, krijg je ook -te: lunchte. Dat geldt ook voor een x, die als ks klinkt: faxen wordt faxte. Sommige kinderen leren daarom een langere versie van het ezelsbruggetje, met de x erbij.

Engelse werkwoorden

Bij Engelse werkwoorden is de stam het Engelse woord en kijk je naar de klank aan het eind. Liken (stam like, je hoort een k) wordt likete. Scoren (stam scoor, je hoort een r) wordt scoorde.

Sterke werkwoorden in de verleden tijd

Voor sterke werkwoorden is er geen regel. Je leert ze uit je hoofd, het liefst in rijtjes van drie: zwemmen, zwom, gezwommen; eten, at, gegeten; schrijven, schreef, geschreven. In het meervoud komt er -en achter, soms met een kleine verandering: wij zwommen, wij aten, wij schreven. Kinderen zeggen soms "zwemde" of "eette". Dat is logisch gedacht, maar het is niet de standaardvorm.

Veelgemaakte fouten in de verleden tijd

  • Naar de f of s van de stam kijken: "leefte" moet leefde zijn.
  • Een t of d te weinig: "groete" moet groette zijn, "schude" moet schudde zijn.
  • De n vergeten bij meervoud: De kinderen lachte moet De kinderen lachten zijn.
  • Een sterk werkwoord zwak maken: "rijdde" moet reed zijn.

De verleden tijd op de doorstroomtoets

De verleden tijd hoort bij het onderdeel taalverzorging. Een vraag kan bijvoorbeeld een zin met puntjes zijn, waarbij je kind uit een paar vormen de juiste kiest. De afleiders lijken dan vaak sterk op elkaar: één t, twee t's, -de of -den. Juist daarom loont het om rustig de stappen van 't kofschip af te lopen in plaats van op gevoel te kiezen. Welke vragen er precies op de toets komen, weet niemand vooraf.

Zo oefen je de verleden tijd thuis

Laat je kind een kort verslag schrijven van een dag uit de vakantie of het weekend. Omdat het over iets van vroeger gaat, staat alles in de verleden tijd. Onderstreep daarna samen de werkwoorden en controleer ze met 't kofschip. Wil je het hele plaatje van werkwoorden zien, kijk dan bij werkwoordspelling of gebruik het schema voor werkwoordspelling.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Welk woord hoort op de puntjes? Gisteren ... de bus niet bij onze halte. (stoppen)

Het goede antwoord is D. De stam 'stop' eindigt op een p, die zit in 't kofschip. Dus -te: 'stopte'. Het onderwerp is één bus, dus zonder n.
Vraag 2

Welk woord hoort op de puntjes? Vorige week ... mijn oma twee keer. (bellen)

Het goede antwoord is B. De stam 'bel' eindigt op een l, die niet in 't kofschip zit. Dus -de: 'belde'. Het onderwerp is 'mijn oma', enkelvoud.
Vraag 3

Welk woord hoort op de puntjes? In de zomervakantie ... wij met de trein door Italië. (reizen)

Het goede antwoord is C. In 'reizen' hoor je een z, en die zit niet in 't kofschip. Dus -de. De stam schrijf je met een s: 'reis'. Wij is meervoud: 'reisden'.
Vraag 4

Welk werkwoord is een sterk werkwoord?

Het goede antwoord is A. 'Drinken' verandert van klank: drinken, dronk, gedronken. De andere werkwoorden krijgen -te of -de: werkte, kookte, speelde.

Veelgestelde vragen

Wat is 't kofschip?

't Kofschip is een ezelsbruggetje met de medeklinkers t, k, f, s, ch en p. Eindigt de stam van een zwak werkwoord op een van die letters, dan krijgt de verleden tijd -te; anders -de.

Waarom is het 'leefde' en niet 'leefte'?

Voor 't kofschip kijk je naar de klank in het hele werkwoord. In 'leven' hoor je een v, en die zit niet in 't kofschip. Daarom wordt het 'leefde'.

Wanneer schrijf je twee t's in de verleden tijd?

Als de stam al op een t eindigt en er -te achter komt, zoals 'groet' + 'te' = 'groette'. Hetzelfde geldt voor twee d's: 'schud' + 'de' = 'schudde'.

Geldt 't kofschip ook voor sterke werkwoorden?

Nee. Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd, zoals 'zingen' en 'zong'. Die vormen leer je uit je hoofd.

Meer over taal en taalverzorging voor de doorstroomtoets

Bronnen