Voltooid verleden tijd: zo werkt het
Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer
De voltooid verleden tijd maak je met had, hadden, was of waren plus een voltooid deelwoord, zoals 'Ik had al gegeten'. Je gebruikt hem voor iets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden. De onvoltooid verleden tijd bestaat uit één werkwoord, zoals 'Ik at'.
Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten
De voltooid verleden tijd maak je met had, hadden, was of waren plus een voltooid deelwoord: Ik had mijn tas al ingepakt. Je gebruikt hem voor iets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden. De onvoltooid verleden tijd bestaat uit één werkwoord: Ik pakte mijn tas in. Op deze pagina zie je de tijden naast elkaar, hoe je ze herkent en wanneer je welke gebruikt.
Wat is de voltooid verleden tijd?
De naam bestaat uit twee delen. Verleden betekent dat het vroeger was. Voltooid betekent dat het toen al af was. De voltooid verleden tijd bestaat altijd uit twee delen:
- een verleden vorm van hebben of zijn: had, hadden, was of waren. Dat is de persoonsvorm.
- een voltooid deelwoord, zoals gewerkt, gegeten of vertrokken.
Voorbeelden: Wij hadden de hele dag gewerkt. De bus was al vertrokken. Hoe je het voltooid deelwoord goed spelt, lees je bij het voltooid deelwoord.
Onvoltooid verleden tijd en voltooid verleden tijd naast elkaar
Op de basisschool leer je vooral vier werkwoordstijden. Daarnaast bestaan er tijden met zullen en zouden, maar die laten we hier even rusten. In de tabel zie je de vier tijden met dezelfde twee werkwoorden.
| Tijd | Afkorting | Met spelen | Met vertrekken |
|---|---|---|---|
| onvoltooid tegenwoordige tijd | ott | ik speel | de trein vertrekt |
| onvoltooid verleden tijd | ovt | ik speelde | de trein vertrok |
| voltooid tegenwoordige tijd | vtt | ik heb gespeeld | de trein is vertrokken |
| voltooid verleden tijd | vvt | ik had gespeeld | de trein was vertrokken |
Zie je het patroon? De onvoltooide tijden hebben één werkwoord. De voltooide tijden hebben een vorm van hebben of zijn plus een voltooid deelwoord. En bij de verleden tijden staat de persoonsvorm in de verleden tijd: speelde, had, was.
Over de spelling van de onvoltooid verleden tijd, zoals speelde met -de, lees je meer bij de verleden tijd en 't kofschip.
Wanneer gebruik je de voltooid verleden tijd?
Iets wat al af was
De voltooid verleden tijd gebruik je vooral als je over twee dingen in het verleden vertelt, waarvan het ene eerder gebeurde dan het andere. Het eerste zet je in de voltooid verleden tijd, het tweede in de onvoltooid verleden tijd.
Toen we bij de bioscoop aankwamen, was de film al begonnen.
Wat gebeurde eerst? De film begon. Daarna kwamen we aan. Je kunt het zien als een tijdlijn:
- De film begint (eerder): was begonnen, voltooid verleden tijd.
- Wij komen aan (later): aankwamen, onvoltooid verleden tijd.
- Nu vertel je het verhaal.
Zinnen met nadat werken vaak zo: Nadat ik mijn huiswerk had gemaakt, ging ik voetballen.
Bij een wens of spijt
Je gebruikt de voltooid verleden tijd ook als je iets anders had gewild: Had ik maar beter opgelet. Als ik dat had geweten, was ik eerder gekomen. Dat iets niet zo gegaan is, hoor je aan de vorm.
Had of was: hebben of zijn?
De meeste werkwoorden gebruiken hebben: ik had gelezen, wij hadden gekookt. Een aantal werkwoorden gebruikt zijn, vooral als er iets verandert of als iemand ergens naartoe gaat: de sneeuw was gesmolten, mijn opa was naar Spanje gevlogen. Bij sommige werkwoorden kan het allebei, met een klein verschil in betekenis: Ik had de hele middag gefietst tegenover Ik was naar het strand gefietst. Meestal hoor je zelf al welke vorm goed klinkt.
Let ook op het getal. Bij een enkelvoudig onderwerp hoort had of was, bij een meervoud hadden of waren: De kinderen waren al naar huis gegaan.
Uitgewerkt voorbeeld: tijden in een kort verhaal
Lees dit stukje: Sanne liep naar de bakker. Ze had haar portemonnee thuis vergeten, dus ze moest terug. Toen ze weer bij de winkel kwam, had de bakker het laatste brood al verkocht.
Het verhaal zelf staat in de onvoltooid verleden tijd: liep, moest, kwam. Twee dingen waren al eerder gebeurd en staan daarom in de voltooid verleden tijd: Sanne had haar portemonnee thuis vergeten, en de bakker had het laatste brood al verkocht voordat ze terugkwam. Zo helpt de tijd de lezer om de volgorde te begrijpen.
Zo herken je de tijd van een zin
- Zoek de persoonsvorm.
- Staat de persoonsvorm in de tegenwoordige of de verleden tijd? Heeft en is zijn tegenwoordig, had en was verleden.
- Staat er een voltooid deelwoord bij dat hoort bij hebben of zijn? Dan is het een voltooide tijd. Zo niet, een onvoltooide.
Voorbeeld: Mijn broer had de hele taart opgegeten. De persoonsvorm had is verleden tijd, en opgegeten is een voltooid deelwoord. Dus: voltooid verleden tijd.
Veelgemaakte fouten
- Een verkeerd hulpwerkwoord: De film had al begonnen moet De film was al begonnen zijn. Bij beginnen hoort zijn.
- Het getal vergeten: Wij had gegeten moet Wij hadden gegeten zijn.
- Een spelfout in het deelwoord: Ze had het verhaal verteld, niet "vertelt", want het is een voltooid deelwoord.
- Alles in de voltooid verleden tijd zetten. Wie een verhaal vertelt, gebruikt meestal de onvoltooid verleden tijd en alleen de voltooid verleden tijd voor wat daarvóór gebeurde.
Zo oefen je thuis
Laat je kind een korte gebeurtenis vertellen met twee stappen, zoals: "Ik was al naar bed gegaan toen de telefoon ging." Vraag steeds: wat gebeurde eerst? Draai het ook om: geef een zin in de onvoltooid verleden tijd en laat je kind er een zin bij maken met iets wat daarvoor al gebeurd was. Dit soort oefeningen helpt ook bij begrijpend lezen, want in verhalen springt de tijd vaak heen en weer. Meer oefenzinnen met werkwoorden staan bij werkwoordspelling oefenen.
Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg
Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.
Veelgestelde vragen
Wat is de voltooid verleden tijd?
De voltooid verleden tijd bestaat uit had, hadden, was of waren plus een voltooid deelwoord, zoals 'Ik had gewacht'. Je gebruikt hem voor iets wat al af was vóór een ander moment in het verleden.
Wat is het verschil met de onvoltooid verleden tijd?
De onvoltooid verleden tijd is één werkwoord, zoals 'ik wachtte'. De voltooid verleden tijd heeft een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord: 'ik had gewacht'.
Wanneer gebruik je had en wanneer was?
De meeste werkwoorden gebruiken had of hadden. Bij werkwoorden waarbij iets verandert of iemand ergens naartoe gaat, gebruik je vaak was of waren, zoals 'De sneeuw was gesmolten'.
Hoeveel werkwoordstijden zijn er?
Traditioneel worden er acht onderscheiden, waaronder vier met zullen of zouden. Op de basisschool ligt de nadruk meestal op de vier tijden zonder zullen: ott, ovt, vtt en vvt.