Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Schaal berekenen op een kaart, plattegrond en maquette

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Schaal berekenen doe je door het tweede getal van de schaal als vermenigvuldiger te gebruiken: bij schaal 1 : 25.000 is 1 cm op de kaart 25.000 cm in het echt, dus 250 m. Meet je 4 cm op die kaart, dan is de echte afstand 4 × 250 m = 1 km. Van echt naar kaart deel je juist door dat getal.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat betekent een schaal als 1 : 100?

Een kaart, een plattegrond of een maquette is een verkleinde versie van iets echts. De schaal vertelt hoeveel kleiner. Bij schaal 1 : 100 is 1 cm op de tekening 100 cm in het echt. Bij schaal berekenen gebruik je dat tweede getal steeds als vermenigvuldiger: alles in het echt is 100 keer zo groot als op de tekening.

Belangrijk om te weten: links en rechts van de dubbele punt staat dezelfde eenheid. Bij 1 : 100 kan dat zijn 1 cm is 100 cm, of 1 mm is 100 mm. Je mag dus niet zomaar zeggen dat 1 cm 100 meter is. Hoe groter het tweede getal, hoe meer er is verkleind. Een wandelkaart van 1 : 25.000 laat veel meer details zien dan een autokaart van 1 : 250.000.

Er bestaan ook vergrotingen. Een tekening van een mier op schaal 5 : 1 is vijf keer zo groot als de echte mier.

Schaal berekenen van kaart naar werkelijkheid

  1. Lees de schaal af, bijvoorbeeld 1 : 25.000.
  2. Bedenk wat 1 cm op de kaart in het echt is: 25.000 cm.
  3. Reken dat om naar een handige maat: 25.000 cm = 250 m.
  4. Meet de afstand op de kaart, bijvoorbeeld 4 cm.
  5. Vermenigvuldig: 4 × 250 m = 1000 m, dus 1 km.

Nog een voorbeeld met een autokaart van 1 : 250.000. Eén centimeter is 250.000 cm, en dat is 2,5 km. Twee steden liggen op die kaart 6 cm uit elkaar. In het echt is dat 6 × 2,5 = 15 km, in een rechte lijn. Over de weg is het meestal verder, omdat wegen niet recht lopen.

De truc met nullen wegstrepen

Omrekenen van centimeters naar meters doe je door 2 nullen weg te strepen, want 100 cm = 1 m. Van centimeters naar kilometers streep je 5 nullen weg, want 1 km = 100.000 cm. Deze tabel kun je met je kind op een kaartje zetten.

Schaal1 cm op de kaart is in het echt
1 : 100100 cm = 1 m
1 : 10001000 cm = 10 m
1 : 10.00010.000 cm = 100 m
1 : 25.00025.000 cm = 250 m
1 : 100.000100.000 cm = 1 km
1 : 250.000250.000 cm = 2,5 km

Meer over het omrekenen van maten lees je bij metriek stelsel.

Van werkelijkheid naar kaart: andersom rekenen

Soms weet je de echte afstand en wil je weten hoe lang het op de kaart is. Dan deel je in plaats van vermenigvuldigen. Een fietspad is in het echt 1,5 km lang. Hoe lang is het op een kaart van 1 : 25.000?

  • Zet de echte afstand om naar centimeters: 1,5 km = 150.000 cm.
  • Deel door het schaalgetal: 150.000 : 25.000 = 6.
  • Op de kaart is het fietspad 6 cm.

Een tweede manier: je weet al dat 1 cm op deze kaart 250 m is. Hoe vaak past 250 m in 1500 m? Zes keer. Ook 6 cm.

Schaal berekenen als je hem nog niet weet

Bij modelauto's en maquettes moet je de schaal soms zelf vinden. Je deelt dan de echte maat door de maat van het model, allebei in dezelfde eenheid. Een echte auto is 4,32 m lang en het model is 24 cm. Zet de echte maat om: 4,32 m = 432 cm. Dan 432 : 24 = 18. De schaal is 1 : 18.

De schaallijn

Op veel kaarten staat geen schaal in getallen, maar een schaallijn: een streepje met een afstand erbij. Staat er bij een lijntje van 2 cm de tekst 500 m, dan is 1 cm op de kaart 250 m. Dat is 25.000 cm, dus de schaal is 1 : 25.000. Met een schaallijn kun je ook zonder rekenen een afstand meten: leg een strookje papier langs de route en vergelijk dat met de lijn.

Schaal bij plattegronden en oppervlakte

Op een plattegrond van een huis met schaal 1 : 50 is een kamer 8 cm bij 7 cm. In het echt is dat 8 × 50 = 400 cm = 4 m, en 7 × 50 = 350 cm = 3,5 m. De vloer is dan 4 × 3,5 = 14 m².

Let op: reken altijd eerst de echte lengtes uit, en pas daarna de oppervlakte. De oppervlakte op papier is 8 × 7 = 56 cm². Die moet je niet keer 50 doen, want een oppervlakte groeit veel sneller dan een lengte. In het echt is de vloer 50 × 50 = 2500 keer zo groot als op papier: 56 × 2500 = 140.000 cm², en dat is precies 14 m². De regels voor rechthoeken, driehoeken en L-vormen vind je bij oppervlakte berekenen.

Veelgemaakte fouten bij schaal berekenen

  • Het schaalgetal in de verkeerde eenheid lezen. Bij 1 : 25.000 is 1 cm geen 25.000 meter, maar 25.000 centimeter.
  • Nullen verkeerd wegstrepen. Van cm naar m zijn het 2 nullen, van cm naar km 5 nullen.
  • Vermenigvuldigen als je moet delen. Van echt naar kaart wordt het kleiner, dus dan deel je. Vraag je steeds af: wordt mijn antwoord groter of kleiner?
  • De oppervlakte direct met het schaalgetal vermenigvuldigen. Reken eerst de echte lengte en breedte uit.

Schaal en verhoudingen

Een schaal is eigenlijk een verhouding. Daarom kun je schaalsommen ook oplossen met een verhoudingstabel. Zet in de bovenste rij de centimeters op de kaart en in de onderste rij de afstand in het echt. Bij 1 : 25.000 staat er dan 1 cm boven 250 m, 4 cm boven 1000 m en 6 cm boven 1500 m. Hoe je zo'n tabel gebruikt, lees je bij verhoudingstabel.

Zo oefen je thuis

  • Pak een wandel- of fietskaart en meet samen de afstand van huis naar school of naar opa en oma. Vergelijk met de afstand in een routeplanner.
  • Laat je kind een plattegrond van de eigen kamer tekenen op schaal 1 : 50. Een bed van 2 m wordt dan 4 cm.
  • Kijk naar de schaal op de doos van een modelauto of bouwpakket, en reken uit hoe groot het echte voorwerp is.

Wil je zien hoe je kind het doet op alle rekenonderdelen, en niet alleen schaal? Doe dan samen de gratis oefentoets.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Op een wandelkaart met schaal 1 : 10.000 is een pad 7 cm lang. Hoe lang is het pad in het echt?

Het goede antwoord is B. 1 cm op de kaart is 10.000 cm = 100 m in het echt. Dan is 7 cm gelijk aan 7 × 100 = 700 m.
Vraag 2

Een plattegrond heeft schaal 1 : 50. Een bank is in het echt 2 m lang. Hoe lang is de bank op de plattegrond?

Het goede antwoord is A. Zet de echte lengte om: 2 m = 200 cm. Van echt naar tekening deel je door 50: 200 : 50 = 4 cm.
Vraag 3

Een echte vrachtwagen is 12 m lang. Het speelgoedmodel is 30 cm lang. Op welke schaal is het model gemaakt?

Het goede antwoord is C. Zet allebei om naar centimeters: 12 m = 1200 cm. Deel de echte lengte door de lengte van het model: 1200 : 30 = 40. De schaal is 1 : 40.
Vraag 4

Bij de schaallijn op een kaart staat: 3 cm is 600 m. Wat is de schaal van de kaart?

Het goede antwoord is D. 1 cm op de kaart is 600 : 3 = 200 m in het echt. Dat is 20.000 cm, dus de schaal is 1 : 20.000. Bij 1 : 60.000 ben je vergeten door 3 te delen.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken je de echte afstand op een kaart?

Meet de afstand op de kaart in centimeters en vermenigvuldig die met het tweede getal van de schaal. Reken de uitkomst daarna om van centimeters naar meters of kilometers.

Wat betekent schaal 1 : 50.000?

Het betekent dat 1 cm op de kaart 50.000 cm in het echt is. Dat is 500 m, dus 2 cm op de kaart is 1 km.

Hoe vind je de schaal van een maquette?

Deel de echte maat door de maat van de maquette, allebei in dezelfde eenheid. Is een gebouw 30 m hoog en de maquette 15 cm, dan is dat 3000 : 15 = 200, dus schaal 1 : 200.

Is een kaart van 1 : 10.000 groter of kleiner dan 1 : 100.000?

Op een kaart van 1 : 10.000 is alles groter getekend en zie je meer details. Op 1 : 100.000 is meer verkleind, maar past een groter gebied op de kaart.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8