Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Omtrek berekenen: rechthoek, vierkant, cirkel en lastige vormen

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

De omtrek is de lengte van de rand rondom een figuur. Omtrek berekenen doe je door alle zijden bij elkaar op te tellen. Bij een rechthoek is dat 2 × (lengte + breedte), bij een vierkant 4 × de zijde en bij een cirkel ongeveer 3,14 × de diameter.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat is omtrek?

De omtrek is de lengte van de rand rondom een figuur. Stel je voor dat je over de rand van een schoolplein loopt tot je weer bij het begin bent: de afstand die je dan hebt gelopen, is de omtrek. Omtrek berekenen doe je dus door alle zijden bij elkaar op te tellen.

Omdat de omtrek een lengte is, schrijf je hem in gewone lengtematen, zoals cm, m of km. Er komt geen kwadraatje bij. Dat is een belangrijk verschil met oppervlakte, waarbij je de ruimte binnen de figuur uitrekent in cm² of m². Bij een fotolijst is de omtrek de lengte van de lijst rondom, de oppervlakte is de foto. Hoe je oppervlakte uitrekent, lees je bij oppervlakte berekenen.

Omtrek berekenen van een rechthoek en een vierkant

Een rechthoek heeft twee lange en twee korte zijden. Een rechthoek van 7 m bij 4 m heeft dus een omtrek van 7 + 4 + 7 + 4 = 22 m. Korter opgeschreven: 2 × (7 + 4) = 22 m. Bij een vierkant zijn alle vier de zijden even lang, dus reken je 4 × de zijde. Een vierkant met zijden van 6 cm heeft een omtrek van 24 cm.

Bij een driehoek of een andere veelhoek tel je gewoon alle zijden op. Een driehoek met zijden van 5 cm, 5 cm en 8 cm heeft een omtrek van 18 cm.

Een ontbrekende zijde vinden

Soms ken je de omtrek en zoek je een zijde. Een rechthoek heeft een omtrek van 40 cm en is 12 cm lang. De helft van de omtrek is één lange en één korte zijde samen: 40 : 2 = 20 cm. De breedte is dan 20 − 12 = 8 cm. Bij een vierkant met een omtrek van 36 cm deel je door 4: elke zijde is 9 cm.

FiguurRegelVoorbeeldOmtrek
Vierkant4 × zijdezijde 6 cm24 cm
Rechthoek2 × (lengte + breedte)7 m bij 4 m22 m
Gelijkzijdige driehoek3 × zijdezijde 9 cm27 cm
Regelmatige zeshoek6 × zijdezijde 5 cm30 cm
Cirkelπ × diameterdiameter 3 mongeveer 9,42 m

Omtrek berekenen van een samengestelde figuur

Bij een figuur met hoeken die naar binnen gaan, zoals een L-vorm, moet je eerst alle zijden kennen. Vaak staan niet alle maten erbij en moet je er een paar zelf uitrekenen.

Neem een tuin in de vorm van een L. Hij past in een rechthoek van 10 m bij 8 m, maar in de hoek rechtsboven ontbreekt een stuk van 4 m bij 3 m. Loop de rand rond: onderkant 10 m, rechterkant 8 − 3 = 5 m, dan 4 m naar links, dan 3 m omhoog, dan de bovenkant 10 − 4 = 6 m, en de linkerkant 8 m. Samen: 10 + 5 + 4 + 3 + 6 + 8 = 36 m.

Valt je iets op? De omtrek van de grote rechthoek is ook 2 × (10 + 8) = 36 m. Bij een L-vorm waar alleen een hoek uit is gehaald, klopt dat altijd: de stukjes die naar binnen gaan zijn samen even lang als de stukjes die ontbreken. Maar pas op: zit de inham midden in een zijde, zoals bij een U-vorm, dan komen er twee extra zijden bij en wordt de omtrek groter.

Stappenplan voor de omtrek

  1. Maak een schets van de figuur.
  2. Schrijf bij elke zijde hoe lang hij is. Reken ontbrekende zijden uit met de maten die je wel hebt.
  3. Zorg dat alle maten in dezelfde eenheid staan.
  4. Loop de rand rond en tel de zijden op. Zet bij elke zijde die je hebt meegeteld een vinkje.
  5. Controleer of het aantal vinkjes gelijk is aan het aantal zijden.

Omtrek berekenen van een cirkel

Een cirkel heeft geen rechte zijden. Toch kun je de omtrek uitrekenen met het getal pi, geschreven als π. Pi is ongeveer 3,14. De regel is: omtrek = π × diameter. De diameter is de lengte dwars door het midden van de cirkel, van rand tot rand. De straal is de helft daarvan.

Een ronde trampoline heeft een diameter van 3 m. De rand is dan ongeveer 3,14 × 3 = 9,42 m. Weet je alleen de straal, dan doe je die eerst keer 2. Een rond bord met een straal van 12 cm heeft een diameter van 24 cm en een omtrek van ongeveer 3,14 × 24 = 75,36 cm.

Omtrek in verhaaltjessommen

In een verhaaltje staat het woord omtrek vaak niet. Let op woorden als hek, lijst, rand, sierband, plint, tape of een rondje lopen. Die wijzen allemaal op de omtrek. Een voorbeeld: om een prikbord van 90 cm bij 60 cm komt een rand van tape. Een rol tape is 2,5 m. Is één rol genoeg? De omtrek is 2 × (90 + 60) = 300 cm, en dat is 3 m. Eén rol is dus niet genoeg. Voor meer oefening met zulke vragen kun je terecht bij redactiesommen in groep 8.

Veelgemaakte fouten bij omtrek berekenen

  • Lengte × breedte doen. Dan reken je de oppervlakte uit, niet de omtrek.
  • Maar twee zijden optellen. 7 + 4 is de helft van de omtrek van een rechthoek. Vergeet de andere twee zijden niet.
  • Centimeters en meters mengen. Reken eerst alles om naar dezelfde maat. Hoe dat gaat, lees je bij metriek stelsel.
  • Straal en diameter verwisselen. Met de straal in plaats van de diameter krijg je maar de halve omtrek van een cirkel.
  • Een kwadraatje erachter zetten. Omtrek is een lengte, dus gewoon m of cm.

Zo oefen je thuis

  • Leg een touwtje om een bord, een boek of een pan en meet daarna het touw. Klopt het met de berekening?
  • Laat je kind eerst schatten hoeveel meter het rondom de eettafel is, en meet het dan na met een meetlint.
  • Teken op ruitjespapier vormen met dezelfde omtrek, maar een verschillende oppervlakte. Dat laat goed zien dat het twee verschillende dingen zijn.

Wil je weten hoe je kind het doet op alle onderdelen van rekenen, taal en lezen, doe dan de gratis oefentoets.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Een rechthoekig schoolplein is 45 m lang en 30 m breed. Wat is de omtrek?

Het goede antwoord is C. De omtrek is 2 × (45 + 30) = 2 × 75 = 150 m. Bij 75 m heb je maar twee zijden opgeteld, en 1350 is de oppervlakte.
Vraag 2

Een vierkant tafelkleed heeft een omtrek van 6 m. Hoe lang is één zijde?

Het goede antwoord is A. Een vierkant heeft vier gelijke zijden. Deel de omtrek door 4: 6 : 4 = 1,5 m.
Vraag 3

Een rond zwembadje heeft een diameter van 2 m. Hoe lang is de rand ongeveer? Reken met π = 3,14.

Het goede antwoord is D. Omtrek = π × diameter = 3,14 × 2 = 6,28 m. Het antwoord 12,56 m krijg je als je de diameter nog een keer verdubbelt.
Vraag 4

Een tuin past in een rechthoek van 12 m bij 9 m. In één hoek ontbreekt een stuk van 5 m bij 4 m. Hoeveel meter hek is er nodig rondom de hele tuin?

Het goede antwoord is B. De zijden zijn 12, 5, 5, 4, 7 en 9 m. Samen is dat 42 m, net zoveel als de omtrek van de hele rechthoek: 2 × (12 + 9) = 42 m. 88 is de oppervlakte in m².

Veelgestelde vragen

Hoe bereken je de omtrek van een rechthoek?

Tel de lengte en de breedte bij elkaar op en doe dat keer 2. Een rechthoek van 8 cm bij 3 cm heeft een omtrek van 2 × 11 = 22 cm.

Hoe bereken je de omtrek van een cirkel?

Vermenigvuldig de diameter met π, ongeveer 3,14. Weet je alleen de straal, doe die dan eerst keer 2 om de diameter te krijgen.

Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?

De omtrek is de lengte van de rand en schrijf je in cm of m. De oppervlakte is de ruimte binnen de rand en schrijf je in cm² of m².

Waarom staat er geen kwadraatje achter de omtrek?

De omtrek is een lengte, net als de afstand die je loopt. Een kwadraatje hoort alleen bij oppervlakte, waar je twee lengtes met elkaar vermenigvuldigt.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8