Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Gemiddelde berekenen: stap voor stap

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Een gemiddelde bereken je door alle getallen bij elkaar op te tellen en de uitkomst te delen door het aantal getallen. Haal je een 6, een 8 en een 7, dan is je gemiddelde cijfer (6 + 8 + 7) : 3 = 7. Tellen sommige toetsen zwaarder mee, dan reken je met een gewogen gemiddelde.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat is een gemiddelde?

Een gemiddelde berekenen betekent eigenlijk: alles eerlijk verdelen. Stel dat drie kinderen 4, 7 en 10 snoepjes hebben. Als je alle snoepjes op één hoop gooit en eerlijk verdeelt, krijgt ieder er evenveel. Samen zijn het 4 + 7 + 10 = 21 snoepjes. Verdeeld over 3 kinderen krijgt ieder er 21 : 3 = 7. Het gemiddelde is dus 7.

Een gemiddelde zegt iets over een hele groep getallen in één getal. Je ziet het bij rapportcijfers, bij de temperatuur van een week, bij sportuitslagen en in tabellen in de krant. In groep 7 en 8 komt het geregeld terug, vaak in combinatie met een tabel of grafiek.

Gemiddelde berekenen in vier stappen

  1. Schrijf alle getallen op. Controleer of je er geen vergeet, ook niet de nullen.
  2. Tel ze bij elkaar op. Dat is het totaal.
  3. Tel hoeveel getallen het zijn. Dat is het aantal.
  4. Deel het totaal door het aantal. De uitkomst is het gemiddelde.

Uitgewerkt voorbeeld

Tim houdt een week bij hoeveel bladzijden hij leest.

DagBladzijden
maandag12
dinsdag20
woensdag8
donderdag15
vrijdag25

Het totaal is 12 + 20 + 8 + 15 + 25 = 80 bladzijden. Het zijn 5 dagen. Het gemiddelde is 80 : 5 = 16 bladzijden per dag. Merk op dat Tim op geen enkele dag precies 16 bladzijden las. Dat hoeft ook niet: een gemiddelde hoeft niet in de rij te staan. Tabellen goed lezen is daarbij de eerste stap; daar gaat de pagina over grafieken en tabellen lezen over.

Snel controleren

Een gemiddelde ligt altijd tussen het kleinste en het grootste getal. Bij Tim moet het dus tussen 8 en 25 liggen. Komt je kind uit op 4 of op 80, dan is er iets misgegaan. Vaak is dan vergeten te delen, of is gedeeld door het verkeerde aantal.

Gemiddelde uit een tabel met aantallen

Soms staat in een tabel niet elk getal apart, maar hoe vaak het voorkomt. Voorbeeld: in een klas hebben 6 kinderen geen huisdier, 10 kinderen één huisdier en 4 kinderen twee huisdieren. Hoeveel huisdieren zijn dat gemiddeld per kind? Reken eerst het totaal aantal huisdieren uit: 6 × 0 + 10 × 1 + 4 × 2 = 0 + 10 + 8 = 18. Het aantal kinderen is 6 + 10 + 4 = 20. Het gemiddelde is 18 : 20 = 0,9 huisdier per kind. Een kommagetal als gemiddelde is dus heel normaal, ook al bestaat 0,9 huisdier natuurlijk niet.

Het gemiddelde berekenen van je cijfers

Ouders en kinderen zoeken vaak hoe je een gemiddeld cijfer berekent. Dat gaat precies hetzelfde. Stel dat je kind voor rekenen een 5,5, een 7,0, een 8,2 en een 6,7 heeft gehaald.

  • Totaal: 5,5 + 7,0 + 8,2 + 6,7 = 27,4
  • Aantal cijfers: 4
  • Gemiddelde: 27,4 : 4 = 6,85

Afgerond op één cijfer achter de komma is dat een 6,9. Hoe er op het rapport wordt afgerond, verschilt per school. Sommige scholen ronden af op één decimaal, andere op hele of halve cijfers. Over afronden lees je meer bij afronden en schatten.

Gewogen gemiddelde: als niet elk cijfer even zwaar telt

In de brugklas tellen toetsen vaak zwaarder mee dan kleine overhoringen. Dat heet een weging. Een toets met weging 2 telt mee alsof je dat cijfer twee keer hebt gehaald.

Voorbeeld: een proefwerk met weging 2 en cijfer 6, een overhoring met weging 1 en cijfer 8, en een opdracht met weging 1 en cijfer 7,5.

  1. Doe elk cijfer keer zijn weging: 6 × 2 = 12, 8 × 1 = 8 en 7,5 × 1 = 7,5.
  2. Tel die uitkomsten op: 12 + 8 + 7,5 = 27,5.
  3. Tel de wegingen op: 2 + 1 + 1 = 4.
  4. Deel: 27,5 : 4 = 6,875. Afgerond is dat een 6,9.

Had je alle drie de cijfers even zwaar laten tellen, dan kwam je uit op (6 + 8 + 7,5) : 3, ongeveer 7,2. Het lage proefwerkcijfer trekt het gewogen gemiddelde dus meer omlaag. Het is handig als je kind dit al weet voordat het naar de middelbare school gaat.

Terugrekenen: welk cijfer heb je nodig?

Een veelgestelde vraag: "Wat moet ik halen om gemiddeld een 7 te staan?" Ook dat kun je met het gemiddelde uitrekenen, door achteruit te werken.

Voorbeeld: je kind heeft een 6,5 en een 7,0 en wil na de derde toets gemiddeld een 7. Bij drie toetsen met gemiddeld een 7 hoort een totaal van 3 × 7 = 21. Er is al 6,5 + 7,0 = 13,5 gehaald. Op de derde toets is dus 21 − 13,5 = 7,5 nodig.

Veelgemaakte fouten

  • Nullen niet meetellen. Spaar je in een week niets, dan telt die week wel mee in het aantal.
  • Delen door het verkeerde aantal. Tel de getallen na, vooral in een lange tabel.
  • De weging vergeten. In de brugklas geeft dat soms een heel ander cijfer.
  • Gemiddelde en middelste getal verwarren. Bij 1, 2, 3, 4 en 100 is het middelste getal 3, maar het gemiddelde is 110 : 5 = 22. Eén uitschieter verschuift het gemiddelde flink.

Gemiddelden in het dagelijks leven

Laat je kind een week lang iets bijhouden: de temperatuur buiten, het aantal stappen op een stappenteller of de minuten die het fietst naar school. Bereken aan het eind samen het gemiddelde. Een bekend vervolg is de gemiddelde snelheid: hoeveel kilometer leg je gemiddeld per uur af? Dat lees je op de pagina gemiddelde snelheid berekenen.

Gemiddelden komen ook terug in rekenopgaven met tabellen en grafieken. Een overzicht van alle rekenonderwerpen voor groep 8 vind je bij rekenen oefenen in groep 8. Wil je zien hoe je kind het doet in een mix van vragen, probeer dan de gratis oefentoets.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Wat is het gemiddelde van 14, 9, 22 en 15?

Het goede antwoord is C. Tel de getallen op: 14 + 9 + 22 + 15 = 60. Het zijn 4 getallen, dus 60 : 4 = 15.
Vraag 2

Ruben houdt bij hoeveel geld hij per week spaart. Hoeveel spaarde hij gemiddeld per week?

WeekGespaard
week 1€ 3,50
week 2€ 0,00
week 3€ 5,25
week 4€ 4,05
Het goede antwoord is B. Samen is dat € 3,50 + € 0 + € 5,25 + € 4,05 = € 12,80. Week 2 telt ook mee, dus je deelt door 4: € 12,80 : 4 = € 3,20.
Vraag 3

Een proefwerk telt 2 keer mee en je haalt een 5. Een opdracht telt 1 keer mee en je haalt een 8. Wat is je gemiddelde cijfer?

Het goede antwoord is D. Doe het proefwerk dubbel: 5 + 5 + 8 = 18. Er zijn 3 wegingen, dus 18 : 3 = 6.
Vraag 4

Vijf kinderen zijn gemiddeld 1,50 m lang. Vier van hen zijn 1,42 m, 1,55 m, 1,48 m en 1,51 m lang. Hoe lang is het vijfde kind?

Het goede antwoord is A. Samen zijn de vijf kinderen 5 × 1,50 = 7,50 m. De vier bekende kinderen zijn samen 5,96 m. Het vijfde kind is dus 7,50 − 5,96 = 1,54 m.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken je een gemiddelde?

Tel alle getallen bij elkaar op en deel de uitkomst door het aantal getallen. Het gemiddelde van 4, 7 en 10 is 21 : 3 = 7.

Hoe bereken je je gemiddelde cijfer?

Tel al je cijfers op en deel door het aantal cijfers. Tellen sommige toetsen zwaarder mee, doe dan elk cijfer eerst keer zijn weging en deel door het totaal van de wegingen.

Telt een 0 mee bij het gemiddelde?

Ja. Een nul is gewoon een getal in de rij, dus die telt mee in het aantal. Laat je hem weg, dan wordt het gemiddelde te hoog.

Wat is het verschil tussen gemiddelde en mediaan?

Het gemiddelde is het totaal gedeeld door het aantal. De mediaan is het middelste getal als je alles op volgorde zet. Bij een uitschieter kunnen ze flink verschillen.

Meer over rekenen voor de doorstroomtoets in groep 8