Het werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in de zin
Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin: de persoonsvorm en de andere werkwoorden, zoals een heel werkwoord of een voltooid deelwoord. In 'Wij hebben de hele middag gevoetbald' is het werkwoordelijk gezegde 'hebben gevoetbald'. Staat er een koppelwerkwoord met een eigenschap, zoals 'is moe', dan heet het een naamwoordelijk gezegde.
Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten
Wat is een gezegde?
Elke zin heeft een gezegde. Het gezegde vertelt wat het onderwerp doet, wat er met het onderwerp gebeurt of hoe het onderwerp is. Er zijn twee soorten: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde. Op deze pagina gaat het over het werkwoordelijk gezegde, de soort die je het vaakst tegenkomt.
Op de basisschool leer je een eenvoudige regel: het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Dat is de persoonsvorm, plus eventueel een heel werkwoord, een voltooid deelwoord en losse stukjes die bij het werkwoord horen. Andere woorden, zoals het onderwerp of het lijdend voorwerp, horen er niet bij.
Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde?
Volg dit stappenplan. Het werkt bij bijna elke zin die je in groep 7 en 8 tegenkomt.
- Zoek de persoonsvorm. Verander de tijd van de zin of maak er een vraag van. Het werkwoord dat verandert of vooraan komt, is de persoonsvorm.
- Zoek de andere werkwoorden in de zin. Let vooral op hele werkwoorden (zoals maken, zien) en op voltooide deelwoorden (zoals gemaakt, gezien).
- Kijk of er een los stukje bij een werkwoord hoort, zoals op, af, mee, uit of terug. In Ik ruim mijn kamer op hoort op bij ruim, want het hele werkwoord is opruimen.
- Controleer of een van de werkwoorden een koppelwerkwoord is met een eigenschap erbij, zoals is ziek of wordt boos. Dan heb je geen werkwoordelijk maar een naamwoordelijk gezegde.
- Schrijf alle werkwoorden die je gevonden hebt bij elkaar op. Dat is het werkwoordelijk gezegde.
Voorbeelden van het werkwoordelijk gezegde
In deze tabel zie je hoe het werkwoordelijk gezegde kan groeien: van één werkwoord tot drie werkwoorden.
| Zin | Persoonsvorm | Werkwoordelijk gezegde |
|---|---|---|
| Mijn zus zingt in een koor. | zingt | zingt |
| Papa haalt ons vanmiddag op. | haalt | haalt op |
| Wij hebben de hele middag gevoetbald. | hebben | hebben gevoetbald |
| Jij moet morgen je fiets maken. | moet | moet maken |
| Ik ben gisteren van mijn step gevallen. | ben | ben gevallen |
| De nieuwe brug wordt morgen geopend. | wordt | wordt geopend |
| Jullie hadden die film eerder kunnen zien. | hadden | hadden kunnen zien |
Zie je dat de werkwoorden niet altijd naast elkaar staan? In Papa haalt ons vanmiddag op staan er twee woorden tussen haalt en op. Toch horen ze samen bij het werkwoordelijk gezegde.
Hoofdwerkwoord en hulpwerkwoorden
Staan er meer werkwoorden in de zin, dan is er één hoofdwerkwoord. Dat werkwoord vertelt wat er echt gebeurt. De andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden: ze helpen het hoofdwerkwoord, bijvoorbeeld door de tijd aan te geven of te zeggen of iets moet of mag.
- Hulpwerkwoorden van tijd: hebben en zijn (voor de voltooide tijd) en zullen (voor de toekomst). Wij hebben gevoetbald. Ik zal je helpen.
- Hulpwerkwoorden die iets zeggen over moeten, kunnen of willen: kunnen, moeten, mogen, willen. Jij moet je fiets maken.
- Het hulpwerkwoord van de lijdende vorm: worden. De brug wordt geopend.
Het gezegde in een vraag of een opdracht
In een vraag staat de persoonsvorm vooraan, maar de regel blijft hetzelfde. In Heb jij je fiets al gemaakt? is het werkwoordelijk gezegde heb gemaakt. Ook in een opdracht tel je het losse stukje mee: in Ruim je kamer op! is het werkwoordelijk gezegde ruim op.
Let op: hebben kan ook gewoon hoofdwerkwoord zijn. In Ik heb een konijn is heb het enige werkwoord, dus het werkwoordelijk gezegde is heb.
Werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Het werkwoord zijn zorgt vaak voor verwarring. Vergelijk deze drie zinnen:
- Mijn opa is gevallen. Hier is is een hulpwerkwoord bij gevallen. Werkwoordelijk gezegde: is gevallen.
- Mijn opa is in de tuin. Hier betekent is zoveel als bevindt zich. Werkwoordelijk gezegde: is. In de tuin is een bijwoordelijke bepaling van plaats.
- Mijn opa is ziek. Hier is is een koppelwerkwoord en ziek zegt hoe opa is. Dit is een naamwoordelijk gezegde: is ziek.
Op de pagina over het naamwoordelijk gezegde lees je hoe je koppelwerkwoorden herkent.
Veelgemaakte fouten bij het gezegde
- Alleen de persoonsvorm opschrijven. In Ik heb mijn huiswerk gemaakt is het werkwoordelijk gezegde niet alleen heb, maar heb gemaakt.
- Het losse stukje vergeten. In De bus komt om vijf uur aan is het gezegde komt aan. Zonder aan betekent de zin iets anders.
- Een woord dat op een werkwoord lijkt meetellen. In Na het eten gaan we naar buiten is het eten een zelfstandig naamwoord. Het werkwoordelijk gezegde is alleen gaan.
- Een deelwoord bij een zelfstandig naamwoord meetellen. In Daan heeft een gebroken arm hoort gebroken bij arm, net als een bijvoeglijk naamwoord. Het werkwoordelijk gezegde is heeft.
Waarom heb je het werkwoordelijk gezegde nodig bij spelling?
Het werkwoordelijk gezegde helpt je bij werkwoordspelling. Als je weet welk werkwoord de persoonsvorm is en welk werkwoord een voltooid deelwoord, weet je ook welke spellingregel je moet gebruiken. In Hij heeft zijn kamer opgeruimd is opgeruimd een voltooid deelwoord. De stam is ruim, de m zit niet in 't kofschip, dus schrijf je een d. Meer oefenen met die keuze kan op de pagina d of t.
Op de doorstroomtoets hoeft je kind het woord gezegde waarschijnlijk niet zelf te noemen. Het denkwerk erachter komt wel terug zodra er een werkwoordsvorm gespeld moet worden.
Zo oefen je het gezegde thuis
- Pak een bladzijde uit een leesboek en laat je kind in drie zinnen alle werkwoorden onderstrepen. Zoek daarna samen welk werkwoord de persoonsvorm is.
- Zet een zin in een andere tijd. Van Ik bak een taart maak je Ik heb een taart gebakken en Ik zal een taart bakken. Kijk hoe het gezegde groeit.
- Zoek samen naar zinnen met een los stukje, zoals op, mee of af. Dat is een goede training voor de verschuifproef bij zinsdelen ontleden.
Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg
Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen de persoonsvorm en het werkwoordelijk gezegde?
De persoonsvorm is één werkwoord: het werkwoord dat verandert als je de tijd verandert. Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm samen met alle andere werkwoorden in de zin.
Hoort 'op' in 'Ik bel je morgen op' bij het gezegde?
Ja. Het hele werkwoord is 'opbellen', dus 'op' hoort bij 'bel'. Het werkwoordelijk gezegde is 'bel op'.
Kan een zin twee gezegdes hebben?
Een enkelvoudige zin heeft één gezegde. Een samengestelde zin, met bijvoorbeeld een hoofdzin en een bijzin, heeft in elk deel een eigen gezegde.
Wat is een hulpwerkwoord?
Een hulpwerkwoord helpt het hoofdwerkwoord, bijvoorbeeld om de tijd aan te geven. Voorbeelden zijn hebben, zijn, zullen, kunnen, moeten, mogen, willen en worden.