Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Het naamwoordelijk gezegde herkennen: koppelwerkwoord en naamwoordelijk deel

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel dat zegt wat of hoe het onderwerp is. In 'Mijn hond is slim' is 'is' het koppelwerkwoord, 'slim' het naamwoordelijk deel en 'is slim' het naamwoordelijk gezegde. De koppelwerkwoorden die je op school leert, zijn zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Wat is een naamwoordelijk gezegde?

De meeste zinnen vertellen wat iemand doet: Mijn hond rent door het park. Dan heb je een werkwoordelijk gezegde. Maar sommige zinnen vertellen niet wat het onderwerp doet, wel wat of hoe het onderwerp is: Mijn hond is slim. Zo'n zin heeft een naamwoordelijk gezegde.

Een naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit twee delen:

  • Een koppelwerkwoord. Dat werkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of een omschrijving. In Mijn hond is slim is dat is.
  • Een naamwoordelijk deel. Dat zegt iets over het onderwerp. Het is vaak een bijvoeglijk naamwoord (slim, moe, groen) of een zelfstandig naamwoord (tandarts, een goede keeper).

Het naamwoordelijk deel kan ook uit meer woorden bestaan. In Mijn broer is een goede keeper is een goede keeper het naamwoordelijk deel. Het zegt wat mijn broer is. Het is dus geen lijdend voorwerp, ook al lijkt het daar misschien op.

Staan er ook hulpwerkwoorden in de zin, dan horen die ook bij het naamwoordelijk gezegde. In Mijn neef is kok geworden is het naamwoordelijk gezegde is kok geworden.

De negen koppelwerkwoorden

Op school leer je meestal deze negen koppelwerkwoorden. De eerste drie kom je verreweg het vaakst tegen.

KoppelwerkwoordVoorbeeldzinNaamwoordelijk gezegde
zijnDe thee is heet.is heet
wordenDe lucht wordt donker.wordt donker
blijvenOpa blijft rustig.blijft rustig
lijkenDie opdracht lijkt makkelijk.lijkt makkelijk
blijkenDe film bleek spannend.bleek spannend
schijnenDe nieuwe meester schijnt streng.schijnt streng
hetenOnze kat heet Moos.heet Moos
dunkenDat dunkt mij verstandig.dunkt verstandig
voorkomenDat plan komt mij vreemd voor.komt vreemd voor

Dunken is een ouderwets woord dat je bijna niet meer hoort. En bij voorkomen ligt de klemtoon op voor: het betekent dan zoveel als lijken. Dat is iets anders dan voorkómen, waarbij je zorgt dat iets niet gebeurt.

Een handig rijtje om te onthouden is: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen. Zeg het een paar keer hardop, dan blijft het hangen. Heten, dunken en voorkomen komen er dan als laatste drie achteraan.

Hoe herken je een naamwoordelijk gezegde?

Met dit stappenplan kom je er bijna altijd uit.

  1. Zoek de persoonsvorm en alle andere werkwoorden in de zin.
  2. Kijk of een van die werkwoorden een koppelwerkwoord uit het rijtje is.
  3. Doe de vervangproef: vervang het werkwoord door een vorm van zijn. De film bleek spannend wordt De film was spannend. Klopt de zin nog en zegt hij nog ongeveer hetzelfde? Dan heb je waarschijnlijk een koppelwerkwoord.
  4. Zoek het naamwoordelijk deel: welk stuk van de zin zegt wat of hoe het onderwerp is?
  5. Zet het koppelwerkwoord, de eventuele hulpwerkwoorden en het naamwoordelijk deel bij elkaar. Dat is het naamwoordelijk gezegde.

Uitgewerkt voorbeeld

Zin: Mijn neef is vorig jaar kok geworden.

  • Werkwoorden: is en geworden. De persoonsvorm is is.
  • Koppelwerkwoord: geworden, een vorm van worden. Is is hier een hulpwerkwoord.
  • Naamwoordelijk deel: wat is mijn neef geworden? Kok.
  • Naamwoordelijk gezegde: is kok geworden.
  • Onderwerp: mijn neef. Bijwoordelijke bepaling van tijd: vorig jaar.

Wanneer is het géén naamwoordelijk gezegde?

Alle koppelwerkwoorden kunnen ook een andere taak hebben. Dan heb je een werkwoordelijk gezegde. Dit zijn de valkuilen waar kinderen het vaakst in trappen:

  • Zijn als hulpwerkwoord. Wij zijn naar huis gelopen. Hier hoort zijn bij gelopen. Werkwoordelijk gezegde: zijn gelopen.
  • Worden als hulpwerkwoord. In Het gras wordt gemaaid is wordt gemaaid een werkwoordelijk gezegde: er gebeurt iets met het gras. Maar in Het gras wordt geel is wordt geel een naamwoordelijk gezegde: het zegt hoe het gras is.
  • Zijn in de betekenis van zich bevinden. De kinderen zijn op het plein. Je kunt zeggen: De kinderen bevinden zich op het plein. Op het plein zegt waar ze zijn, niet hoe ze zijn. Dat is een bijwoordelijke bepaling van plaats.
  • Blijven in de betekenis van ergens verblijven. Wij blijven vannacht bij oma. Ook hier zegt het stuk erna waar, niet hoe.
  • Schijnen als licht geven. In De zon schijnt staat geen naamwoordelijk deel. Schijnt is hier een gewoon werkwoord.
  • Lijken op. Jij lijkt op je moeder betekent dat jullie op elkaar lijken. Lijkt is hier geen koppelwerkwoord en op je moeder hoort niet bij het gezegde.

Waarom is het naamwoordelijk gezegde handig om te kennen?

Het naamwoordelijk gezegde helpt je bij het schrijven. Een bijvoeglijk naamwoord dat als naamwoordelijk deel achter het koppelwerkwoord staat, krijgt nooit een -e. Je schrijft het mooie huis, maar het huis is mooi. Kinderen schrijven soms Het huis is mooie, en dat is fout.

Ook helpt het bij zinsdelen ontleden. Wie een naamwoordelijk gezegde herkent, gaat niet meer op zoek naar een lijdend voorwerp dat er niet is. In Mijn moeder is tandarts is tandarts geen lijdend voorwerp, maar het naamwoordelijk deel.

Niet elke basisschool behandelt het naamwoordelijk gezegde al. In de conceptlijst met taalbegrippen die SLO voor groep 7 en 8 heeft opgesteld, staat het werkwoordelijk gezegde wel, het naamwoordelijk gezegde niet. Veel kinderen leren het dus pas in de brugklas. Op de doorstroomtoets hoeft je kind het begrip naar verwachting niet te benoemen, maar het helpt bij de spelling van bijvoeglijke naamwoorden.

Zo oefen je het naamwoordelijk gezegde thuis

  • Speel het spel "wie ben ik?": beschrijf iemand met zinnen als Hij is lang. Hij lijkt vrolijk. Hij heet ... Laat je kind bij elke zin het koppelwerkwoord aanwijzen.
  • Laat je kind bij een zin met is of wordt steeds de vraag stellen: zegt dit wat of hoe iemand is, of wat er gebeurt?
  • Maak samen zinsparen, zoals Het brood wordt gesneden en Het brood wordt oud. Welke heeft een naamwoordelijk gezegde?

Wil je de rest van taal ook rustig doorlopen? Begin met de gratis oefentoets en bekijk welke onderdelen extra aandacht nodig hebben.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Wat is het naamwoordelijk gezegde in deze zin? 'De kat van de buren is erg dik geworden.'

Het goede antwoord is B. Het koppelwerkwoord is 'geworden', met 'is' als hulpwerkwoord. Het naamwoordelijk deel is 'erg dik': het zegt hoe de kat is. Samen vormen ze het naamwoordelijk gezegde 'is erg dik geworden'.
Vraag 2

In welke zin staat een naamwoordelijk gezegde?

Het goede antwoord is D. In 'De bladeren worden bruin' zegt 'bruin' hoe de bladeren zijn. 'Worden' is daar dus een koppelwerkwoord. In de andere zinnen is 'wordt' een hulpwerkwoord, betekent 'zijn' zich bevinden en betekent 'lijkt op' dat twee mensen op elkaar lijken.
Vraag 3

Wat is het naamwoordelijk deel in deze zin? 'Onze nieuwe buurvrouw heet Fatima.'

Het goede antwoord is C. 'Heet' is het koppelwerkwoord en 'Fatima' zegt hoe de buurvrouw heet. Dat is het naamwoordelijk deel. 'Heet Fatima' samen is het hele naamwoordelijk gezegde, en 'onze nieuwe buurvrouw' is het onderwerp.
Vraag 4

In welke zin is 'blijven' een koppelwerkwoord?

Het goede antwoord is A. In 'Het blijft de hele dag droog' zegt 'droog' hoe het weer is. Dan is 'blijft' een koppelwerkwoord. In de andere zinnen zegt 'blijven' waar iemand is of helpt het een ander werkwoord ('eten').

Veelgestelde vragen

Wat zijn de koppelwerkwoorden?

Op school leer je meestal negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Ze zijn alleen een koppelwerkwoord als er een naamwoordelijk deel bij staat dat zegt wat of hoe het onderwerp is.

Wat is het verschil tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde?

Een werkwoordelijk gezegde vertelt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt, en bestaat alleen uit werkwoorden. Een naamwoordelijk gezegde vertelt wat of hoe het onderwerp is, en bestaat uit een koppelwerkwoord met een naamwoordelijk deel.

Wat is een naamwoordelijk deel?

Het naamwoordelijk deel is het stuk van het naamwoordelijk gezegde dat iets over het onderwerp zegt. In 'Mijn zus wordt dierenarts' is 'dierenarts' het naamwoordelijk deel.

Leer je het naamwoordelijk gezegde op de basisschool?

Dat verschilt per school en taalmethode. Sommige kinderen leren het in groep 8, veel anderen pas in de brugklas.

Meer over taal en taalverzorging voor de doorstroomtoets

Bronnen