Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Studievaardigheden: informatie vinden, lezen en gebruiken

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Studievaardigheden zijn de vaardigheden die je nodig hebt om informatie te vinden, te begrijpen en te gebruiken. Denk aan opzoeken in een register of woordenboek, kaarten en plattegronden lezen, informatie halen uit tabellen en schema's, en zelf een samenvatting of planning maken.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Studievaardigheden zijn de handige gereedschappen die je bij elk vak gebruikt: informatie opzoeken, een kaart lezen, een tabel snappen of je huiswerk plannen. In groep 7 en 8 wordt er steeds meer van kinderen verwacht dat ze dit zelf kunnen, bijvoorbeeld bij een werkstuk of een spreekbeurt. En in de brugklas worden ze nog belangrijker. Op deze pagina lees je welke studievaardigheden er zijn, hoe je ze thuis oefent en waar ze op de doorstroomtoets terugkomen.

Welke studievaardigheden zijn er?

Je kunt studievaardigheden in vier groepen verdelen.

GroepWat je leertVoorbeeld
Informatiebronnen gebruikende goede bron kiezen en daarin snel zoekeneen register, woordenboek of zoekmachine
Kaarten lezenlegenda, windrichtingen en schaal gebruikeneen plattegrond van de stad of een atlaskaart
Schema's, tabellen en grafiekeninformatie aflezen en vergelijkeneen rooster, een dienstregeling, een staafgrafiek
Studerenleerstof ordenen, onthouden en planneneen samenvatting maken of een planning voor een toets

Informatie opzoeken: inhoudsopgave, register en woordenboek

De inhoudsopgave staat voorin een boek. Daar zie je welke hoofdstukken er zijn en op welke bladzijde ze beginnen. Handig als je wilt weten waar het boek over gaat. Het register staat achterin. Daar staan losse onderwerpen op alfabetische volgorde, met de bladzijden waar ze worden genoemd. Zoek je één bepaald onderwerp, zoals egel of vulkaan, dan ben je met het register sneller klaar.

Alfabetisch zoeken

In een woordenboek en een register staan de woorden op alfabetische volgorde. Beginnen woorden met dezelfde letters, dan kijk je naar de eerste letter die verschilt. Bij brug en bruin zijn b, r en u gelijk. Daarna komt g tegen i, en de g komt eerder in het alfabet. Dus brug staat voor bruin.

Zoeken op internet

Op internet vind je alles, maar niet alles klopt. Leer je kind drie vragen te stellen bij een website: wie heeft dit geschreven, hoe oud is de informatie, en staat het ook op een andere betrouwbare plek? Kies ook goede zoekwoorden. Hoe oud worden schildpadden werkt beter dan alleen schildpad.

Stappenplan: zo zoek je informatie op

  1. Bepaal je vraag. Wat wil je precies weten? Schrijf het op in één zin.
  2. Kies je zoekwoorden. Welke woorden horen het meest bij je vraag?
  3. Kies een bron. Een informatieboek, een atlas, een woordenboek of een website.
  4. Zoek gericht. Gebruik het register, de inhoudsopgave of de zoekfunctie, en lees niet alles van voor naar achter.
  5. Controleer. Geeft de informatie antwoord op je vraag? Klopt het met een tweede bron?
  6. Schrijf het in je eigen woorden op. Zo merk je meteen of je het begrijpt. Hoe dat goed gaat, lees je bij samenvatten.

Uitgewerkt voorbeeld: een werkstuk over bijen

Stel, je kind maakt een werkstuk over bijen. De vraag wordt: Waarom zijn bijen belangrijk voor ons eten? De zoekwoorden zijn bijen, bestuiving en voedsel. Je kind pakt een informatieboek over insecten uit de bibliotheek en zoekt in het register op bestuiving. Daar staan twee bladzijden. Op internet vindt het daarna een site van een natuurorganisatie en een site van een onbekende schrijver. Je kind kiest de natuurorganisatie, want daar staat wie het schreef en wanneer. Tot slot schrijft het in drie eigen zinnen op wat het gevonden heeft. Elke stap uit het stappenplan komt zo een keer terug.

Kaarten en plattegronden lezen

Bij een kaart heb je drie dingen nodig. De legenda vertelt wat de kleuren en tekentjes betekenen. De windroos laat zien waar het noorden is: op de meeste kaarten is dat boven. En de schaal vertelt hoe groot de afstanden in het echt zijn. Bij schaal 1 : 50.000 is 1 centimeter op de kaart 50.000 centimeter in het echt, dus 500 meter. Hoe je daarmee rekent, lees je bij schaal berekenen.

Op veel plattegronden staan ook letters en cijfers langs de rand, zoals C4. Je zoekt dan het vak waar kolom C en rij 4 elkaar kruisen. Zo vind je een straat snel terug in het straatnamenregister.

Tabellen, schema's en grafieken

Roosters, dienstregelingen, prijslijsten en grafieken: overal staat informatie in rijen en kolommen. De aanpak is steeds dezelfde. Lees eerst de titel en de kopjes, kijk welke eenheden er gebruikt worden (minuten, euro's, kilometers) en zoek pas daarna het antwoord op de vraag. Veel fouten ontstaan doordat een kind in de verkeerde rij of kolom kijkt. Een liniaal of een vinger langs de regel helpt. Meer uitleg en voorbeelden vind je bij grafieken en tabellen lezen.

Zo oefen je studievaardigheden thuis

  • Laat je kind dingen opzoeken die je echt wilt weten. De openingstijden van het zwembad, de vertrektijd van de trein, de route naar een verjaardag.
  • Gebruik een papieren kaart op vakantie of bij een fietstocht en laat je kind de weg wijzen.
  • Zoek samen in een informatieboek via het register in plaats van te bladeren.
  • Laat je kind een planning maken voor een spreekbeurt of werkstuk: wat moet er wanneer af zijn? Dat is een goede voorbereiding op het huiswerk plannen in de brugklas.

Studievaardigheden en de doorstroomtoets

De vaste onderdelen van de doorstroomtoets zijn lezen, taalverzorging en rekenen. Studievaardigheden zijn daar geen apart onderdeel van. Toch heb je ze wel nodig. Bij rekenen kom je tabellen, grafieken en kaarten met een schaal tegen, en bij lezen moet je in een tekst snel de plek vinden waar het antwoord staat. Welke toets de school van je kind gebruikt en hoe die in elkaar zit, lees je bij wat is de doorstroomtoets. Het mooie van studievaardigheden is dat je ze ook na de toets elke dag blijft gebruiken.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Je zoekt vier woorden op in een woordenboek. Welk woord staat als eerste?

Het goede antwoord is D. Alle woorden beginnen met br. Kijk dan naar de derde letter: i, o en u. De i komt het eerst in het alfabet, dus brief staat vooraan.
Vraag 2

In een informatieboek over dieren wordt de egel in verschillende hoofdstukken genoemd. Je wilt snel weten op welke bladzijden iets over de egel staat. Waar kijk je het best?

Het goede antwoord is A. In het register staan losse onderwerpen op alfabetische volgorde, met alle bladzijden waar ze genoemd worden. De inhoudsopgave noemt alleen de hoofdstukken.
Vraag 3

In de tabel zie je wanneer je in het zwembad vrij kunt zwemmen. Op welke dag kun je het langst achter elkaar vrij zwemmen?

DagVrij zwemmen
maandag15.00 tot 17.15 uur
woensdag13.30 tot 16.00 uur
vrijdag18.45 tot 21.00 uur
zaterdag10.15 tot 12.30 uur
Het goede antwoord is B. Reken per dag uit hoe lang het duurt. Maandag, vrijdag en zaterdag duren 2 uur en 15 minuten. Woensdag van 13.30 tot 16.00 uur is 2 uur en 30 minuten, dat is het langst.
Vraag 4

Op een plattegrond is boven het noorden. De school ligt precies boven het station. Waar ligt het station, gezien vanaf de school?

Het goede antwoord is C. Boven is noord, dus onder is zuid. Het station ligt onder de school op de kaart, dus ten zuiden ervan.

Veelgestelde vragen

Wat zijn studievaardigheden?

Vaardigheden om informatie te vinden, te begrijpen en te gebruiken. Bijvoorbeeld opzoeken in een register, kaarten lezen, tabellen begrijpen en zelf een samenvatting of planning maken.

Zit studievaardigheden in de doorstroomtoets?

Niet als apart onderdeel: de vaste onderdelen zijn lezen, taalverzorging en rekenen. Vaardigheden zoals tabellen en kaarten lezen komen wel terug in de reken- en leesvragen.

Wat is het verschil tussen een inhoudsopgave en een register?

De inhoudsopgave staat voorin en noemt de hoofdstukken. Het register staat achterin en noemt losse onderwerpen op alfabetische volgorde, met de bladzijden waar ze staan.

Hoe oefen je studievaardigheden thuis?

Door je kind echte dingen te laten opzoeken, zoals openingstijden of een route, en door samen kaarten, roosters en informatieboeken te gebruiken.

Meer over lezen en begrijpend lezen voor de doorstroomtoets

Bronnen