Naar de inhoud
Doorstroomtoetstrainer

Verwijswoorden: wat zijn het en waar verwijzen ze naar?

Bijgewerkt op 24-10-2026 · Doorstroomtoetstrainer

Kort antwoord

Verwijswoorden zijn woorden die terugwijzen naar iets wat eerder in de tekst genoemd is, zoals hij, zij, het, die, dat, deze, daar en dit. Ze voorkomen dat een woord steeds herhaald wordt. Om te vinden waar een verwijswoord naar wijst, kijk je terug in de tekst en zet je het woord dat je denkt op de plek van het verwijswoord: klopt de zin dan nog, dan heb je het goed.

Doe de gratis oefentoets Bekijk de pakketten

Verwijswoorden zijn woorden die terugwijzen naar iets wat al eerder in de tekst staat. Denk aan hij, zij, het, die, dat, deze, daar en dit. Zonder verwijswoorden zou een tekst vol herhalingen staan. Wie ze goed snapt, raakt bij een lange tekst de draad niet kwijt. Op deze pagina lees je welke verwijswoorden er zijn, hoe je ontdekt waar ze naar verwijzen en welke fouten kinderen vaak maken.

Wat zijn verwijswoorden?

Lees deze zinnen eens: ‘Oma heeft een kat. De kat heet Mies. De kat slaapt graag in de zon. Oma aait de kat vaak.’ Dat leest stroef. Met verwijswoorden wordt het: ‘Oma heeft een kat. Die heet Mies. Ze slaapt graag in de zon. Oma aait haar vaak.’

De woorden die, ze en haar verwijzen alle drie naar de kat. Je hoeft het woord ‘kat’ dus niet steeds te herhalen. Als lezer moet je wel steeds weten naar wie of wat zo'n woord wijst. Anders snap je de tekst niet meer.

Soorten verwijswoorden

Verwijswoorden komen in verschillende vormen. Deze tabel laat de belangrijkste zien.

SoortVoorbeeldenVoorbeeldzinVerwijst naar
Persoonlijkhij, zij, ze, het, hem, haar, hen, hunBram belde aan. Hij had een pakje bij zich.Bram
Aanwijzenddie, dat, deze, ditIk zag een vos. Die rende het bos in.de vos
Betrekkelijkdie, dat, wat, waarHet huis dat op de hoek staat, is te koop.het huis
Bezittelijkzijn, haar, hunDe leerlingen pakten hun jassen.de leerlingen
Plaatsdaar, hier, erWe gingen naar Texel. Daar fietsten we rond.Texel
Naar een hele zindit, dat, daardoor, daarom, hierdoorDe trein had vertraging. Daardoor kwam ik te laat.dat de trein vertraging had

Een handig ezelsbruggetje bij die en dat als betrekkelijk voornaamwoord: bij een de-woord gebruik je die (de fiets die ...), bij een het-woord gebruik je dat (het boek dat ...). Zo kun je soms al aan het verwijswoord zien naar welk woord het wijst.

Verwijswoorden die vooruit wijzen

Meestal wijst een verwijswoord terug. Soms wijst het juist vooruit, naar iets wat nog komt. ‘Dit wist Sara zeker: ze ging nooit meer zonder jas naar buiten.’ Hier verwijst dit naar het stuk na de dubbele punt. Kom je zo'n woord tegen en vind je ervoor niets wat past, lees dan verder.

Het meisje: ‘het’ of ‘ze’?

Bij woorden als het meisje of het kind twijfelen veel kinderen. ‘Het meisje pakte haar tas. Ze liep naar huis.’ Hier verwijst ze naar het meisje, ook al is meisje een het-woord. Bij een persoon kiezen schrijvers vaak het verwijswoord dat bij de persoon past. Ook het komt voor, dus reken het je kind niet fout. Voor het lezen maakt het niet uit: het gaat erom dat je kind ziet wie er bedoeld wordt.

Hoe vind je waar een verwijswoord naar verwijst?

Gebruik de vervangtruc. Die werkt bij bijna elk verwijswoord.

  1. Zoek het verwijswoord in de zin.
  2. Lees de zin of zinnen ervoor. Welke personen, dingen of gebeurtenissen worden daar genoemd?
  3. Kies het woord of stukje waarvan je denkt dat het verwijswoord ernaar wijst.
  4. Zet dat woord op de plek van het verwijswoord en lees de zin opnieuw.
  5. Klopt de zin nog en betekent hij hetzelfde? Dan heb je het goed. Zo niet, probeer een ander woord.

Voorbeeld: ‘Mijn buurman heeft een nieuwe auto. Hij is knalrood.’ Vervang hij door ‘mijn buurman’: ‘Mijn buurman is knalrood.’ Dat is vreemd. Vervang hij door ‘de auto’: ‘De auto is knalrood.’ Dat klopt. Hij verwijst dus naar de auto, ook al is de buurman ook een ‘hij’.

Verwijswoorden in een tekst: een uitgewerkt voorbeeld

‘In de zomer gaat de familie Jansen altijd kamperen in Frankrijk. (1) Daar hebben ze een vaste plek bij een rivier. Vorig jaar was de rivier bijna droog. (2) Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. De kinderen vonden (3) het niet erg, want (4) ze konden nu over de stenen naar de overkant lopen.’

  1. Daar verwijst naar een plaats: Frankrijk.
  2. Dat verwijst naar een hele zin: dat de rivier bijna droog was.
  3. Het verwijst ook naar die gebeurtenis: de bijna droge rivier.
  4. Ze verwijst naar de kinderen, niet naar de hele familie. Dat zie je aan het begin van de zin.

Zie je dat dat en het hier niet naar één woord verwijzen, maar naar wat er gebeurde? Dat maakt verwijswoorden soms lastig.

Veelgemaakte fouten met verwijswoorden

  • Automatisch het dichtstbijzijnde woord kiezen. Vaak klopt dat, maar niet altijd. Gebruik de vervangtruc om het te controleren.
  • Elk ‘het’ als verwijswoord zien. In ‘Het regent’ verwijst het nergens naar. En in ‘het boek’ is het een lidwoord.
  • Elk ‘er’ als verwijswoord zien. In ‘Er staat een man voor de deur’ verwijst er niet naar een plaats uit de tekst.
  • Vergeten dat een verwijswoord naar een hele zin kan wijzen. Bij dit, dat en daardoor is het antwoord vaak een gebeurtenis, geen los woord.

Verwijswoorden oefenen thuis

Neem een bladzijde uit een boek dat je kind leest en zoek samen vijf verwijswoorden. Laat je kind bij elk woord een pijl tekenen naar waar het naar wijst, of het hardop zeggen. Ook leuk: schrijf een kort verhaaltje zonder verwijswoorden, waarin alles wordt herhaald, en laat je kind het mooier maken. Zo leert je kind van twee kanten hoe verwijswoorden werken.

Verwijswoorden en signaalwoorden horen bij elkaar: samen houden ze een tekst aan elkaar vast. Bij begrijpend lezen groep 8 staat een oefentekst met een vraag over het verwijswoord dat.

Verwijswoorden en de doorstroomtoets

Bij het onderdeel lezen kunnen vragen gaan over waar een woord in de tekst naar verwijst. Het antwoord is dan meestal te vinden in de zin of alinea ervoor. Laat je kind die vragen nooit uit het hoofd beantwoorden, maar altijd terugkijken in de tekst. Een eerste kennismaking met leesvragen vind je in de gratis oefentoets. Meer manieren om een tekst aan te pakken staan bij leesstrategieën.

Oefen het meteen: 4 vragen met uitleg

Kies een antwoord, dan zie je direct of het goed is en waarom. Er wordt niets opgeslagen.

Vraag 1

Lees de zinnen: ‘Mijn tante heeft een hond gekocht. Die blaft de hele dag.’ Waar verwijst ‘Die’ naar?

Het goede antwoord is D. Vervang ‘Die’ door ‘de hond’: ‘De hond blaft de hele dag.’ Dat klopt. Een tante blaft niet, en een winkel wordt in de zinnen niet genoemd.
Vraag 2

Lees de zin: ‘Tim gaf zijn zus het boek terug, omdat hij het al uit had.’ Waar verwijst het tweede ‘het’ naar?

Het goede antwoord is B. Vervang ‘het’ door ‘het boek’: ‘omdat hij het boek al uit had.’ Dat klopt. Je hebt een boek uit als je het helemaal gelezen hebt.
Vraag 3

Lees de zinnen: ‘Het fietspad werd opnieuw geasfalteerd. Daardoor moesten we omrijden.’ Waar verwijst ‘Daardoor’ naar?

Het goede antwoord is C. ‘Daardoor’ verwijst naar de hele eerste zin: doordat het fietspad opnieuw geasfalteerd werd, moesten we omrijden. Het fietspad zelf is niet de reden, het werk eraan wel.
Vraag 4

In welke zin is ‘het’ GEEN verwijswoord?

Het goede antwoord is A. In ‘Het regent’ wijst ‘het’ nergens naar: je kunt er geen woord voor in de plaats zetten. In de andere zinnen verwijst ‘het’ naar het huis, het cadeau en het armbandje.

Veelgestelde vragen

Wat zijn verwijswoorden?

Verwijswoorden zijn woorden die verwijzen naar iets wat eerder in de tekst genoemd is, zoals hij, zij, het, die, dat, deze, daar en dit. Ze zorgen ervoor dat je woorden niet steeds hoeft te herhalen.

Hoe vind je waar een verwijswoord naar verwijst?

Kijk in de zin of zinnen ervoor en zet het woord dat je denkt op de plek van het verwijswoord. Klopt de zin dan nog, dan heb je het goede woord gevonden.

Kan een verwijswoord naar een hele zin verwijzen?

Ja. Woorden als dit, dat, daardoor en daarom verwijzen vaak naar een hele gebeurtenis. In ‘Het sneeuwde. Daardoor was de school dicht.’ wijst daardoor naar het sneeuwen.

Is ‘er’ altijd een verwijswoord?

Nee. In ‘We gingen naar het park en speelden er de hele middag’ verwijst er naar het park. Maar in ‘Er ligt een boek op tafel’ verwijst er nergens naar.

Meer over lezen en begrijpend lezen voor de doorstroomtoets